Schrif­te­lijke vragen over ontbreken burger­par­ti­ci­patie in provin­ciaal water­beleid


Indiendatum: 23 sep. 2020

Geacht college,

Verdroging van natuurgebieden is een erkend probleem, ook volgens uw college. Essentieel is dan dat er met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en ook met andere overheden nauw wordt samengewerkt om dit probleem aan te pakken. Twee recente voorbeelden geven te denken over de bereidheid van GS om die participatie van andere partijen serieus te nemen. Daarover heeft de fractie van de Partij voor de Dieren de volgende vragen:

Vraag 1) Onderkent GS dat het oppervlaktewater en grondwater in het Flinke Ven van invloed is op waterstanden en kwaliteit van natuurgebied de Turfkoelen? En dat daar van een verdrogingsproblematiek sprake is?

Vraag 2) Is, behalve de kortetermijnmaatregelen die het waterschap Limburg kan nemen, een gebiedsproces met alle betrokken actoren gewenst om het droogteprobleem effectief aan te pakken? Zo nee, waarom niet?

Vraag 3) Zo ja, waarom is de provincie dan zonder participatie van betrokken actoren bezig met een plan van aanpak voor het gebied (PIO Roerdalen)?

Vraag 4) Welke conclusies zijn in de bespreking van waterschapbestuurders met gedeputeerde Brugman op 28 augustus jl. over dit gebiedsproces getrokken?

Vraag 5) Welke stappen gaat GS zetten om het gebiedsproces op een participatieve manier in gang te zetten?

GS heeft recent een ontwerpvergunning Waterwet bekendgemaakt die fritesfabriek AVIKO te Lomm, gelegen naast het Natura2000-gebied Ravenvennen, toestaat de wateronttrekking ter plekke van 420.000 tot 630.000 m3 grondwater te verhogen. Het Limburgs Landschap heeft in een brief aan het college aangegeven zich door de wijziging van de vergunning overvallen te voelen.

Vraag 6) Erkent GS dat, in de geest van de Omgevingswet waarin dat verplicht wordt, vroegtijdige participatie van de omgeving bij vergunningaanvragen gewenst is? Is GS van plan dit als een vaste gedragslijn te gaan volgen? Zo nee, waarom niet?

Vraag 7) Waarom heeft GS bij de aanvraag van de Waterwetvergunning voor de fritesfabriek in Lomm, gelegen naast een natuurgebied in beheer bij het Limburgs Landschap, deze natuurbeheerder niet betrokken?

Vraag 8) Hoe kan het dat de te verlenen vergunning een 50% verhoging van de wateronttrekking toestaat, terwijl het Provinciaal Waterplan voorschrijft dat er niet meer water onttrokken wordt dan er aangevuld wordt?

Vraag 9) Formeel is de provincie alleen verantwoordelijk voor effecten in het tweede watervoerende pakket, en het waterschap voor het eerste. Beide watervoerende pakketten vormen echter uiteindelijk een grondwatervoorraad. Gaat GS bij de uiteindelijke vergunning wel integraal kijken naar de effecten op de gehele grondwatervoorraad, ter plekke en in nabijgelegen gebieden? Zo nee, waarom niet?

Vraag 10) Waarom is in de ontwerpvergunning niet gekeken naar duurzame alternatieven, zoals besparing, recycling en hergebruik voor andere maatschappelijke doelen? Waarom is niet de duurzame aanpak gekozen zoals voor de Aviko fabriek in het Belgische Poperinge, waar o.m. sprake is van een volledig hergebruik van restmaterialen en water?

Vraag 11) Gaat GS bij de uiteindelijke vergunning de onder vraag 10) genoemde benadering wel hanteren? Zo nee, waarom niet?

Graag beantwoording van deze vragen binnen de daarvoor geldende termijn,

Met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin

Partij voor de Dieren

Indiendatum: 23 sep. 2020
Antwoorddatum: 28 okt. 2020

Vraag 1) Onderkent GS dat het oppervlakte en grondwater in het Flinke Ven van invloed is op waterstanden en kwaliteit van het natuurgebied de Turfkoelen? En dat daar van een verdrogingsproblematiek sprake is?

De Turfkoelen wordt gevoed door grond- en oppervlaktewater. Het grondwater heeft zijn oorsprong in de Meinweg en het Flinke Ven gebied. De kwaliteit van het grondwater in de Meinweg is zeer goed, de kwaliteit van het grondwater in het Flinke Ven is niet bekend. De kwaliteit van het oppervlaktewater in het Flinke Ven is daarentegen slecht. De kwaliteit van het oppervlaktewater is afhankelijk van het grondgebruik in het Flinke Ven. Het Flinke Ven heeft dus een grote invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater dat in de Turfkoelen via de Venbeek uitmondt. Hoe het precies zit met het grondgebruik in het Ven en de waterstanden in de Turfkoelen wordt nu middels een hydrologisch onderzoek onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn einde dit jaar bekend.

De Turfkoelen laten vooral de laatste jaren een verdroging zien. In het bovengenoemde onderzoek wordt onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om aan deze verdroging een halt toe te roepen.

Vraag 2) Is, behalve de korte termijn maatregelen die het waterschap Limburg kan nemen, een gebiedsproces met alle betrokken actoren gewenst om het droogteprobleem effectief aan te pakken? Zo nee, waarom niet?

Ja, om niet alleen het droogteprobleem, maar alle nog resterende opgaven binnen Roerdalen op het gebied van natuur en water effectief aan te pakken is een gebiedsproces met alle betrokken actoren gewenst.

Vraag 3) Zo ja, waarom is de provincie dan zonder participatie van betrokken actoren bezig met een plan van aanpak voor het gebied (PiO Roerdalen)?

Het plan van aanpak beschrijft hoe het gebiedsproces vorm gegeven gaat worden (proces beschrijving); wie zouden moeten participeren hierin en waarom. Het plan van aanpak betreft nadrukkelijk niet een inrichtingsplan of iets dergelijks. Hoewel intensieve participatie nog niet aan de orde is, is de provincie wel in gesprek met enkele beoogde partners in het proces (Waterschap Limburg en gemeente Roerdalen), maar nog niet over inhoudelijke aspecten.

Vraag 4) Welke conclusies zijn in de bespreking van waterschapbestuurders met gedeputeerde Brugman op 28 augustus jl. over dit gebiedsproces getrokken?

Het bestuurlijk overleg was vooral gericht op het Flinke Ven. Dit is onderdeel van de grotere opgave in Roerdalen en kan daarvan niet los gezien worden. De gezamenlijke conclusie is dat een gezamenlijk proces van groot belang is, maar dat het daarvoor wel van belang is dat het plan van aanpak en de daarbij behorende realisatiestrategie bestuurlijke instemming hebben. Daarna worden verdere afspraken gemaakt. Later dit jaar wordt een bestuurlijk vervolgoverleg gepland.

Vraag 5) Welke stappen gaat GS zetten om het gebiedsproces op een participatieve manier in gang te zetten?

Na vaststelling van het plan van aanpak en de realisatiestrategie gaat de projectleider het gebiedsproces inhoudelijk vorm geven door het samenstellen van een kernteam, bestaande uit zowel interne als externe teamleden, dat in gezamenlijkheid de integraliteit van het proces/project verder uitwerkt en uitvoert.

Vraag 6) Erkent GS dat, in de geest van de Omgevingswet waarin dat verplicht wordt, vroegtijdige participatie van de omgeving bij vergunningaanvragen gewenst is? Is GS van plan dit als een vaste gedragslijn te gaan volgen? Zo nee, waarom niet?

Gedeputeerde Staten dient haar handelswijze bij het behandelen van vergunningaanvragen af te stemmen op vigerende wet- en regelgeving. De Omgevingswet is nog niet van kracht.

Vraag 7) Waarom heeft GS bij de aanvraag van de Waterwetvergunning voor de fritesfabriek in Lomm, gelegen naast een natuurgebied in beheer bij het Limburgs Landschap, deze natuurbeheerder niet betrokken?

Het is aan aanvrager om partijen bij de totstandkoming van een aanvraag te betrekken. Gedeputeerde Staten biedt eenieder de gelegenheid om aanvraag en ontwerpbesluit in te zien en zijn of haar zienswijze hierop aan Gedeputeerde Staten mee te geven zodat hiermee bij het vergunningverleningsproces rekening kan worden gehouden. De belanghebbenden worden hiermee wel degelijk bij het vergunningverleningsproces betrokken.

Vraag 8) Hoe kan het dat de te verlenen vergunning een 50% verhoging van de wateronttrekking toestaat, terwijl het Provinciaal Waterplan voorschrijft dat er niet meer water onttrokken wordt dan er aangevuld wordt?

De gevolgen van de beoogde toename van grondwateronttrekking zijn onderzocht en gebleken is dat er niet meer wordt onttrokken dan er wordt aangevuld. Er is geen structurele daling van stijghoogte of grondwaterstand. Evenmin treden er negatieve effecten op voor andere grondwater-gerelateerde belangen.

Vraag 9) Formeel is de provincie alleen verantwoordelijk voor effecten in het tweede watervoerende pakket, en het waterschap voor het eerste. Beide watervoerende pakketten vormen echter uiteindelijk een grondwatervoorraad. Gaat GS bij de uiteindelijke vergunning wel integraal kijken naar de effecten op de gehele grondwatervoorraad, ter plekke en in nabijgelegen gebieden? Zo nee, waarom niet?

Bij de beoordeling van de effecten van toename van de onttrekkingshoeveelheid worden alle effecten meegewogen. Dus zowel de effecten op het eerste watervoerende pakket als op het dieper gelegen tweede watervoerende pakket.
Als onderdeel van de beoordeling worden ook de effecten van de onttrekking op de diverse grondwater gerelateerde belangen meegewogen, waaronder effecten op grondwaterafhankelijke natuur en de landbouw.

Vraag 10) Waarom is in de ontwerpvergunning niet gekeken naar duurzame alternatieven, zoals besparing, recycling en hergebruik voor andere maatschappelijke doelen? Waarom is niet de duurzame aanpak gekozen zoals voor de Aviko fabriek in het Belgische Poperinge, waar o.m. sprake is van een volledig hergebruik van restmaterialen en water?

Als eerste stap in het proces om te komen tot een wijziging van de vergunning is een MER-plicht beoordeling uitgevoerd (een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een te nemen besluit belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden).

Gezien het feit dat hierbij is aangetoond dat voor de uitbreiding geen MER hoeft te worden uitgevoerd, hoeft aanvrager geen alternatieve wellicht milieuvriendelijker varianten uit te werken. Op hergebruik van restmaterialen wordt niet getoetst bij de vergunningverlening in het kader van de Waterwet.
Onderdeel van de afweging is of er spaarzaam en doelmatig met het onttrokken grondwater wordt omgegaan. Door de aanvrager is aangegeven dat het grondwater voor 85% wordt gebruikt als proceswater en schoonmaakwater (de overige 15 % voor de productie van stoom). Omdat proces- en schoonmaakwater direct of indirect met product in aanraking komt dient, vanwege de voedselveiligheid, dit water van zeer hoge kwaliteit te zijn. Daar waar mogelijk zijn besparingstappen in de vorm van hergebruik als waswater doorgevoerd. Als onderdeel van haar streven naar duurzaamheid werkt Aviko met een kwaliteitssysteem waarin efficie╠łnt gebruik van water als KPI (Kritieke Prestatie-Indicator) bewaakt wordt.

Vraag 11) Gaat GS bij de uiteindelijke vergunning de onder vraag 10. genoemde benadering wel hanteren? Zo nee, waarom niet?

We kunnen alleen wateraspecten meenemen bij een Waterwetvergunning. De onderbouwing van de duurzame inzet van grondwater, zoals genoemd in het antwoord op vraag 10, zullen wij in het definitief besluit opnemen.

Gedeputeerde Staten van Limburg

voorzitter

secretaris