Schrif­te­lijke vragen over Ongekende natuur­branden Meinweg en de Peel


Indiendatum: apr. 2020

Geacht College,

Door de natuurbrand bij Herkenbosch hebben omwonenden, in coronatijd, hun huizen moeten verlaten. Van natuurgebied de Deurnese Peel is ca. 75% deel in de as gelegd. Ook de schade in de Meinweg is aanzienlijk. Talloze dieren zijn levend verbrand, nesten van (typerende) broedvogels zijn in rook opgegaan. Het risico op dergelijke branden wordt groter, evenals de omvang en gevolgen, nu met de klimaatverandering periodes van droogte steeds “normaler” worden. Ook de al jaren voortgaande verdroging in en rond natuurgebieden is een factor.

Vraag 1) Hoe groot is het neerslagtekort dit jaar, in Limburg en/of landelijk, vergeleken met eerdere jaren vanaf 2010?

Vraag 2) In Vlaanderen houdt het Agentschap voor Bos en Natuur met meteostations actuele brandrisico’s bij, met verplichte operationele plannen voor brandweer en terreineigenaren, afhankelijk van de risicosituatie: gebeurt dit in Nederland ook?

Vraag 3) Stelt de brandweer, of een andere instantie, regels voor het voorkomen van natuurbranden, c.q. het beheersen van de risico’s van eenmaal ontstane branden?

Vraag 4) De brochure (!) natuurbranden van de VBNE[1] raadt terreineigenaren aan om per gebied een “natuurbrandrisicobeheersingsplan” op te stellen, waarop de brandweer een “operationele kaart” maakt. Is dit voor de gebieden Meinweg en (Deurnese- en Maria-) Peel gebeurd?

Vraag 5) Zo niet, of gedeeltelijk, welke preventieve en risicobeheersingsmaatregelen zijn er getroffen in/voor deze gebieden?

Vraag 6) Welke lessen trekt GS uit deze branden van ongekende omvang, in de zin van preventie en risicobeheersing?

Vraag 7) Ziet GS, als primair verantwoordelijke voor het natuurbeleid, een taak weggelegd om preventie en risicobeheersing van natuurbranden te initiëren en/of te coördineren? Zo nee, waarom niet?

Vraag 8) Acht GS het gewenst om aan de Nationale Parken Meinweg en de Peel, waaraan subsidie verleend wordt, eisen te stellen wat betreft brandpreventie en –beheersing?

Vraag 9) Vergroot een lage grondwaterstand het risico van branden (kans en effect)? Wat is de trend in de grondwaterstand onder natuurgebieden in de afgelopen 5 jaar?

Vraag 10) Hoe verhoudt de lage grondwaterstand zich tot de gestelde doelen in het waterbeleid?

Vraag 11) Hoe verhoudt de grondwaterstand zich tot de benodigde peilen voor een gunstige staat van instandhouding van grondwaterafhankelijke habitattypen?

Vraag 12) Acht GS het gewenst dat de verdroging van natuurgebieden verminderd wordt, en zo ja: welke beleid wordt daarin gevoerd, met welke resultaten?

Vraag 13) In het Natura2000-Beheerplan voor de Peel staat dat met het Nieuw Limburgs Peil een bepaald vernattingsresultaat bereikt wordt. Is dat een berekend resultaat? Zo ja, is er zicht op de daadwerkelijke stuwstanden en zijn de natuur-/vernattingsresultaten daadwerkelijk behaald?

Vraag 14) Hoeveel beregeningsvergunningen zijn er verstrekt, met name met invloed op grondwaterstanden in de getroffen N2000 gebieden?

Vraag 15) Is het College van GS bereid om toe te werken naar een voor de N2000 gebieden gezond winterpeil? Zo nee, waarom niet?

Vraag 16) Wat is in Limburg het aandeel van drinkwaterwinning, industrie en landbouw in legale grondwateronttrekkingen?

Vraag 17) Uit publicaties in de media en op beantwoording van eerdere vragen van de Partij voor de Dierenfractie wordt verwezen naar illegale putten.

Vraag 18) Wordt er een onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de natuurbranden Limburg? Zo nee, waarom niet?

Bij voorbaat dank voor een tijdige beantwoording,

met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin

Partij voor de Dieren