Schrif­te­lijke vragen over Inter­pre­tatie afschotvrij natuur­gebied en afschot wilde zwijnen


Indiendatum: mrt. 2020

Aan de voorzitter van de Provinciale Staten van Limburg

Geacht College,

In de Mededeling portefeuillehouder van 18 februari jl. (GS 2020-6835) wordt een bepaalde interpretatie gegeven van artikel 3.6.6 van de Omgevingsverordening Limburg, dat strekt tot aanwijzing van een natuurgebied waarin minimaal voor 15 jaar afschotvrij populatie- en natuurbeheer plaats zal vinden.
De Mededeling is een reactie op een brief van de Faunabeheereenheid, die heeft aangegeven om voor de uitvoering van het afschotvrije beheer een faunabeheerplan op te gaan stellen.

Het College kiest hierbij voor afschotvrij beheer voor alle diersoorten, maar met de mogelijkheid dat “in het geval dat er bij een of enkele diersoorten zeer ongewenste ontwikkelingen te verwachten zijn aanvullend afschot plaats kan vinden”. Ook vindt GS dat afschot van wilde zwijnen in het gebied door moet gaan.
Beide standpunten zijn een bepaalde interpretatie van motie 759, op grond waarvan het betreffende artikel 3.6.6. in de Omgevingsverordening is opgenomen.

Deze interpretatie, en de wenselijkheid van een zodanige uitvoering van art. 3.6.6 dat leerervaringen mogelijk zijn, geeft de Partij voor de Dieren-fractie aanleiding tot de volgende vragen:

Vraag 1) Wordt met de interpretatie van GS in de Mededeling portefeuillehouder (GS 2020-6835) niet een achterdeur opengezet om toch afschot te plegen, in tegenspraak met het doel van het afschotvrije gebied (zie Artikelsgewijze toelichting van art. 3.6.6 van de Omgevingsverordening) namelijk om ervaring op te doen met alternatieve, niet-dodende methoden van faunabeheer en preventie van faunaschade?

Vraag 2) Hoe gaat GS bewaken dat er niet te snel naar afschot wordt gegrepen? Met welke criteria en door wie zal worden besloten of er reden is om tot afschot over te gaan?

Vraag 3) Het afschotvrije beheer is er gekomen door een motie van Provinciale Staten: zullen de Staten worden geïnformeerd over de keuze van het gebied, de motivering daarvoor en de voortgang van het afschotvrije beheer?

Vraag 4) Voorziet GS in een begeleidingscommissie voor de uitvoering van het afschotvrije beheer? Zullen daarin ook de binnen de FBE vertegenwoordigde maatschappelijke organisaties voor duurzaam beheer, zoals de Dierenbescherming en de Milieufederatie, vertegenwoordigd zijn?

Vraag 5) De Faunabeheereenheid noemt in haar brief een aantal redenen op om toch tot afschot over te gaan: verkeersveiligheid, natuurdoelen of gewasschade. Ziet GS dat als een limitatieve opsomming? En hoe wordt gegarandeerd dat er bij ongewenste ontwikkelingen op deze factoren eerst naar alternatieve oplossingen wordt gekeken, en dan pas naar afschot?

Vraag 6) Voor gewasschade zijn er vergoedingsregelingen: waarom wordt gewasschade dan toch als reden genoemd om tot afschot over te gaan?

Vraag 7) Kan iedere gewasschade reden zijn, of stelt GS daaraan voorwaarden zoals het eerst toepassen van verjagingsmethoden, en een ondergrens?

Vraag 8) Erkent GS dat afschot van wilde zwijnen in het gebied ook leidt tot verstoring van andere dieren, ten nadele van de doelstellingen van het experiment?

Vraag 9) Op welke manier, en door wie, zal worden vastgesteld dat er aan het afschot van wilde zwijnen buiten de verblijfsgebieden, dat bij wijze van uitzondering is toegestaan vanwege de Afrikaanse varkenspest, een einde kan komen?

Vraag 10) Welke gegevens zijn er nu voorhanden dat deze maatregel nog nodig zou zijn?

Vraag 11) De bedoeling van het afschotvrije gebied is om van de ervaringen te leren: ziet GS, net als de Partijvoor de Dieren-fractie, een wetenschappelijke monitoring en evaluatie als wenselijk? Onder begeleiding van de in vraag 4) genoemde commissie?

Vraag 12) Zal de begeleidingscommissie zelfstandig aan de Staten rapporteren, en ook onafhankelijke deskundigen en organisaties op het gebied van afschotvrij beheer inschakelen, zoals Zoogdiervereniging en Vogelbescherming?

Bij voorbaat dank voor de tijdige beantwoording,

met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin

Partij voor de Dieren


Vraag 1) Wordt met de interpretatie van GS in de Mededeling portefeuillehouder (GS 2020-6835) niet een achterdeur opengezet om toch afschot te plegen, in tegenspraak met het doel van het afschotvrije gebied, namelijk om ervaring op te doen met alternatieve, niet-dodende methoden van faunabeheer en preventie van faunaschade?

Nee, bij de behandeling van motie 759 Tegels c.s. tijdens de vergadering van Provinciale Staten op 13 mei 2016 hebben enkele van de indienende fracties toegelicht dat ingrijpen mogelijk moet zijn bij risicovolle ongewenste ontwikkelingen. Dit was en is ook het standpunt van ons college. Deze mogelijkheid om te kunnen ingrijpen staat ons inziens onderzoek naar alternatieve methoden van populatie- en natuurbeheer niet in de weg en sluit aan bij de formulering van de motie dat een gebied moet worden aangewezen dat in principe afschotvrij wordt verklaard.

Vraag 2) Hoe gaat GS bewaken dat er niet te snel naar afschot wordt gegrepen? Met welke criteria en door wie zal worden besloten of er reden is om tot afschot over te gaan?

In het nieuwe Faunabeheerplan 2020-2026 dient één afschotvrij natuurgebied in Limburg te worden aangewezen. Er wordt een projectteam ingericht om het onderzoek te begeleiden. Door dit projectteam worden kaders opgesteld die rekening houden met de kenmerken van het gebied en het team ontwikkelt de voorwaarden waaronder afschot van andere diersoorten dan wild zwijn is toegestaan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een escalatieladder met alternatieve mogelijkheden voor de preventie van schade en het beheer van de populatie .

Vraag 3) Het afschotvrije beheer is er gekomen door een motie van Provinciale Staten: zullen de Staten worden geïnformeerd over de keuze van het gebied, de motivering daarvoor en de voortgang van het afschotvrije beheer?

Ja. De Faunabeheereenheid Limburg adviseert Gedeputeerde Staten in haar aankomende Faunabeheerplan 2020-2026 welk gebied geschikt is als afschotvrij gebied voor de duur van minimaal 15 jaar. Het concept-goedkeuringsbesluit voor het Faunabeheerplan 2020-2026 wordt op uw verzoek aan uw Staten voorgelegd1. Tevens zal voorafgaand een informatiesessie ter toelichting van dit besluit worden georganiseerd. Zodra het projectteam operationeel is, worden afspraken gemaakt over rapportage van de voortgang van het beheer.

Vraag 4) Voorziet GS in een begeleidingscommissie voor de uitvoering van het afschotvrije beheer? Zullen daarin ook de binnen de FBE vertegenwoordigde maatschappelijke organisaties voor duurzaam beheer, zoals de Dierenbescherming en de Milieufederatie, vertegenwoordigd zijn?

Ja, ter begeleiding van het project is de inrichting van een projectteam noodzakelijk. Onder supervisie van de Faunabeheereenheid Limburg en in overleg met organisaties die deskundig zijn op het gebied van ecologisch faunabeheer wordt hier vorm aan gegeven. De Faunabeheereenheid Limburg maakt onderdeel uit van het projectteam en brengt daarmee de vertegenwoordigde kennis en ervaring vanuit haar leden2 in.

Vraag 5) De Faunabeheereenheid noemt in haar brief een aantal redenen om toch tot afschot over te gaan: verkeersveiligheid, natuurdoelen of gewasschade. Ziet GS dat als een limitatieve opsomming? En hoe wordt gegarandeerd dat er bij ongewenste ontwikkelingen op deze factoren eerst naar alternatieve oplossingen wordt gekeken, en dan pas naar afschot?

Zie antwoord vraag 7.

Vraag 6) Voor gewasschade zijn er vergoedingsregelingen: waarom wordt gewasschade dan toch als reden genoemd om tot afschot over te gaan?

Zie antwoord vraag 7.

Vraag 7) Kan iedere gewasschade reden zijn, of stelt GS daaraan voorwaarden zoals het eerst toepassen van verjagingsmethoden, en een ondergrens?

De in de brief van de Faunabeheereenheid genoemde redenen om tot afschot over te gaan worden door ons college niet gezien als een limitatieve opsomming. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van wettelijke belangen op grond waarvan afschot kan worden toegestaan.

In het collegeprogramma 2019-2023 Vernieuwend Verbinden is met betrekking tot het faunabeheer opgenomen te werken volgens een faunabeheerladder, waarbij preventieve maatregelen de prioriteit hebben, maar beheerjacht niet wordt uitgesloten omwille van een goede wildstand. Dit kader is ook meegegeven aan de Faunabeheereenheid Limburg bij het opstellen van het Faunabeheerplan 2020- 2026.

Momenteel bestaat niet voor alle diersoorten die schade toebrengen een tegemoetkomingsregeling, daarnaast komt niet ieder type schade in aanmerking voor tegemoetkoming. De huidige regeling is beperkt tot vraat-, veeg- en wroetschade. Vertrapping van gewassen komt bijvoorbeeld niet in aanmerking. Bovendien is er bij de meeste diersoorten sprake van een eigen risico voor de ondernemer. De kans is aanwezig dat (delen van) agrarische percelen binnen het invloedgebied van het project komen te liggen. Het voorkomen van belangrijke schade is een wettelijk belang om ontheffingen voor faunabeheer te verlenen. Dat er een publiekrechtelijke regeling is voor tegemoetkoming in de schade doet hier niet aan af.

Vraag 8) Erkent GS dat afschot van wilde zwijnen in het gebied ook leidt tot verstoring van andere dieren, ten nadele van de doelstellingen van het experiment?

Nee. Het instellen van een afschotvrij gebied wordt gedaan om onderzoek te doen naar alternatieve middelen voor afschot, niet om de effecten van verstoring door wel of geen afschot op wilde dieren in een gebied te onderzoeken.

Momenteel vindt er in Limburg reeds afschot van wilde zwijnen plaats. Bij de aanwijzing van een afschotvrij gebied zal dit een factor zijn die niet verandert binnen het in te stellen gebied, waarmee er geen additionele verstoring voor de aanwezige diersoorten wordt verwacht.

Vraag 9) Op welke manier, en door wie, zal worden vastgesteld dat er aan het afschot van wilde zwijnen buiten de verblijfsgebieden, dat bij wijze van uitzondering is toegestaan vanwege de Afrikaanse varkenspest, een einde kan komen?

Het afschot van wilde zwijnen buiten de leefgebieden was in het kader van schadebestrijding reeds voor de dreiging van Afrikaanse varkenspest toegestaan. In oktober 2018, na de constatering van Afrikaanse varkenspest in België, is dit beleid aangescherpt naar het actief reduceren van de populatie wilde zwijnen buiten de leefgebieden. Deze aanscherping in beleid is tot stand gekomen naar aanleiding van bestuurlijke afspraken met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het kader van de preventie van Afrikaanse varkenspest.

Pas zodra in afstemming met het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is vastgesteld dat de dreiging van Afrikaanse varkenspest verminderd is en preventieve maatregelen niet meer nodig zijn, ofwel zodra de populatie van wilde zwijnen buiten het leefgebied voldoende is gereduceerd, kan dit beleid worden bijgesteld tot enkel schade gestuurd beheer.

Vraag 10) Welke gegevens zijn er nu voorhanden dat deze maatregel nog nodig zou zijn?

Afrikaanse varkenspest wordt verspreid door direct contact tussen varkens of wilde zwijnen onderling of indirect door contact met materiaal dat virus bevat. Ook het eten van vleesproducten afkomstig van besmette varkens kan leiden tot besmetting bij wilde zwijnen. Het virus kan door mensen over grote afstand worden meegenomen via niet goed gereinigde transportmiddelen, schoeisel, kleding of gereedschap of door het meenemen van varkensvleesproducten van besmette dieren. Weggooien of achterlaten van besmette varkensproducten in de natuur en het betreden van natuurterreinen met niet gereinigde materialen en schoeisel kan leiden tot infecties bij wilde zwijnen. Het grootste risico voor verspreiding over grote afstand is menselijk handelen en niet de migratie van besmette wilde zwijnen.

Als een wilde zwijnenpopulatie eenmaal besmet is, is het echter niet eenvoudig de ziekte weer uit te roeien in de populatie. De kans dat de ziekte jarenlang aanwezig blijft en dus endemisch wordt is aanzienlijk. Dit is ook afhankelijk van onder andere de grootte van de populatie, migratie van zwijnen tussen populaties en aanwas van nieuwe, gevoelige dieren.

Het aantal mogelijke maatregelen om de besmettingskans voor zwijnen te verlagen is beperkt. Een belangrijke maatregel om het risico te verkleinen is het reduceren van de populatie wilde zwijnen. De European Food Safety Authority (EFSA)34 en de deskundigengroep dierziekten5 hebben aangegeven dat hoe minder wilde zwijnen er zijn, hoe kleiner de kans is dat zij in contact komen met (besmette) etensresten of met andere verontreinigde materialen. Dus hoe kleiner het aantal hoe lager de risico’s. Het reduceren van het aantal wilde zwijnen buiten de leefgebieden is dan ook één van de afspraken die het ministerie met provincies, als bevoegd gezag voor het beheer van populaties, heeft gemaakt.

Vraag 11) De bedoeling van het afschotvrije gebied is om van de ervaringen te leren: ziet GS, net als de Partij voor de Dieren fractie, een wetenschappelijke monitoring en evaluatie als wenselijk? Onder begeleiding van de in vraag 4 genoemde commissie?

Ja. Het instellen van een afschotvrij gebied voor de periode van minimaal 15 jaar dient uiteraard onder wetenschappelijke monitoring plaats te vinden. Onder begeleiding van een projectteam wordt er onderzoek uitgevoerd naar effectieve alternatieve methoden voor afschot.

Vraag 12) Zal de begeleidingscommissie zelfstandig aan de Staten rapporteren, en ook onafhankelijke deskundigen en organisaties op het gebied van afschotvrij beheer inschakelen, zoals Zoogdiervereniging en Vogelbescherming?

Het afschotvrij gebied wordt door de Faunabeheereenheid Limburg opgenomen in het Faunabeheerplan 2020-2026 welke door Gedeputeerde Staten dient te worden goedgekeurd. Na goedkeuring van het plan wordt er een projectteam ingesteld onder supervisie van de faunabeheereenheid en worden afspraken gemaakt over rapportage van de voortgang van het beheer aan ons college. Over de resultaten zullen wij uw Staten vanzelfsprekend informeren.

Gedeputeerde staten van Limburg

voorzitter

secretaris