Vragen over massale eiken­sterfte in de Maas­duinen door stik­stof­de­po­sities


Volgens onderzoek van de Radboud Universiteit te Nijmegen, waarover L1 bericht heeft, is veertig procent van de eiken in Nationaal Park de Maasduinen dood. Van de bomen die nog niet het loodje hebben gelegd is 50 tot 70% ook al minder vitaal.

Te hoge concentraties stikstof spelen volgens de onderzoekers een voorname rol bij de bomensterfte. De stikstof komt onder meer van de intensieve veehouderij, verkeer en industrie.

1. Heeft u kennis genomen van het bericht van L1 over de eikensterfte (http://www.1limburg.nl/massale-sterfte-van-eiken-nationaal-park-maasduinen)?

Ook een al eerder gepubliceerd artikel van de Radboud Universiteit (1) concludeerde dat de stikstofdepositie een sterke invloed heeft op de zuurgraad van de bodem, en daarmee op de overlevingsvoorwaarden voor de eiken. Wetenschappelijk staat het verband tussen stikstofdeposities en de eikensterfte inmiddels vast.

2. Hoe is het mogelijk dat, ondanks deze wetenschappelijke kennis, de stikstofdeposities nog steeds niet voldoende zijn teruggedrongen om de massale eikensterfte te voorkomen?

3. Is de doelstelling van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) om emissies in de eerste zes jaar maar beperkt terug te dringen dan wel voldoende?

Het Limburgs Landschap geeft aan, daarin gesteund door onderzoek, dat met bekalking van de bodem de overlevingsvoorwaarden voor de eiken grotendeels kunnen worden hersteld. In het reguliere beheer ontbreken daarvoor echter de middelen. Ook uit de PAS zijn er geen middelen beschikbaar, omdat de eiken niet zijn aangewezen als te beschermen habitat in het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000 gebied.

4. Hoe is het mogelijk dat de eiken in de Maasduinen, die daar over een grote oppervlakte voorkomen, niet in het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000 gebied zijn opgenomen? Bent u bereid om bij de Minister van EZ erop aan te dringen het aanwijzingsbesluit aan te passen?

5. Bent u van mening dat er maatregelen moeten worden genomen om de eikensterfte in de Maasduinen terug te dringen, en dat daarvoor middelen ter beschikking moeten komen? Zo nee, waarom niet?

Bij meerdere gelegenheden, o.a. de informatieve avond over natuurbeleid van 25 januari jl. heeft GS aangegeven dat de middelen voor natuur, w.o. ook de PAS-middelen, flexibel worden ingezet (“ontschotting”). De eiken in de Maasduinen worden door bezoekers hogelijk gewaardeerd.

6. Bent u bereid het principe van flexibele inzet en ontschotting toe te passen om de eiken in de Maasduinen te redden? Zo nee, waarom niet?

Graag ontvangen wij binnen de volgens het Reglement van Orde geldende termijn antwoord op deze vragen,

Namens de fractie van de Partij voor de Dieren,

P. Plusquin

1 E. Lucassen e.a.: “Bodemverzuring als aanjager van eikensterfte”, Vakblad Natuur en Landschap (VBNL) maart 2014.

Antwoorddatum: 29 mrt. 2016

Vraag 1. Heeft u kennis genomen van het bericht van L1 over de eikensterfte (http://www.1limburg.nl/massale-sterfte-van-eiken-nationaal-park-maasduinen)?

Antwoord.
Ja.

Vraag 2. Hoe is het mogelijk dat, ondanks deze wetenschappelijke kennis, de stikstofdeposities nog steeds niet voldoende zijn teruggedrongen om de massale eikensterfte te voorkomen?

Vraag 3. Is de doelstelling van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) om emissies in de eerste zes jaar maar beperkt terug te dringen dan wel voldoende?


Antwoord vraag 2 en 3.
Zowel Nederlands als buitenlands onderzoek laat zien dat eikensterfte altijd een combinatie van factoren als oorzaak heeft. Vaak worden combinaties van milieuomstandigheden, grondwaterstanden, droogte, insectenaantastingen en schimmels genoemd. Er loopt nog onderzoek, bijvoorbeeld in de provincie
Brabant, naar de oorzaken van de eikensterfte. Daarnaast loopt er onderzoek naar de werking van bemesting met kalk en met steenmeel.

Een overschot aan stikstof in de bodem wordt genoemd als één van de oorzaken. Sinds de jaren ’80 is de stikstofdepositie met ca. 40% afgenomen. De PAS zorgt voor een verdere daling van de depositie. Met de provinciale verordening Veehouderijen en Natura 2000 (Omgevingsverordening) realiseert Limburg een extra daling ten opzichte van de meeste andere provincies. De te realiseren daling is een
afweging tussen economische en ecologische argumenten. Omdat een versnelde daling de economie kan beperken, is daar nu niet voor gekozen.

Vraag 4. Hoe is het mogelijk dat de eiken in de Maasduinen, die daar over een grote oppervlakte voorkomen, niet in het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000 gebied zijn opgenomen? Bent u bereid om bij de Minister van EZ erop aan te dringen het aanwijzingsbesluit aan te passen?


Antwoord.

In het Aanwijzingsbesluit, genomen door het ministerie van EZ, voor het Natura 2000 gebied Maasduinen zijn nu geen bostypen opgenomen waaronder deze eikenbossen kunnen vallen. Daarmee maken deze bossen voor dit specifieke gebied nu geen deel uit van de Natura 2000 doelstelling.

Om te kwalificeren als habitattype dienen bossen aan specifieke eisen te voldoen (bijvoorbeeld vegetatiekundige kenmerken en een bosbodem ouder dan 1850). Door verbeteringen in de karteringen is inmiddels gebleken dat in elk geval op kleine oppervlakten binnen grote boscomplexen deze bos habitattypen voorkomen. Dus hoewel de oppervlakte bossen met eiken vrij groot is in de Maasduinen zijn
er maar weinig percelen die daadwerkelijk aan de voorwaarden van kwalificatie voldoen. Of deze voorkomens voldoende zijn om het gebied ook voor deze habitattypen aan te wijzen is een afweging van het ministerie. Het ministerie is voornemens om voor heel Nederland een herziening van de aanwijzingen
te doen om dit soort fouten te corrigeren. Een planning hiervoor is er echter nog niet.

Vraag 5. Bent u van mening dat er maatregelen moeten worden genomen om de eikensterfte in de Maasduinen terug te dringen, en dat daarvoor middelen ter beschikking moeten komen? Zo nee, waarom niet?


Vraag 6. Bent u bereid het principe van flexibele inzet en ontschotting toe te passen om de eiken in de Maasduinen te redden? Zo nee, waarom niet?


Antwoord vraag 5 en 6.
Maatregelen als bekalking of bemesting met steenmeel in bossen zijn moeilijk uit te voeren en daardoor duur. Hierbij kan de vraag gesteld worden hoe natuurlijk bekalking in dit soort arme bossen is. Gezien de grote oppervlakten waarover deze toegepast zou moeten worden, kan het gaan om forse bedragen.
Wij kiezen er nu voor om de lopende onderzoeken elders in het land te volgen en als de werking van deze maatregelen wordt aangetoond, zullen we deze in overweging nemen. Hier zien we ook primair een eigen verantwoordelijk bij de eigenaar liggen.



Gedeputeerde Staten van Limburg