Schrif­te­lijke vragen inzake burger­par­ti­ci­patie bij ontgron­dings­ver­gunning Centrale Zand­winning Weert


Geacht College,

Momenteel is bij de provincie een aanvraag ontgrondingsvergunning voor het gebied de IJzeren Man te Weert in behandeling. De natuurorganisaties1 in de regio hebben, in overleg met de gemeente Weert, een alternatief plan ontwikkeld voor het ontgrondingengebied.

Uitgangspunten van het plan, dat door een extern adviesbureau is doorgerekend, zijn een gelijkwaardige opbrengst voor de ontgronder (Centrale Zandwinning Weert, CZW), het in acht nemen van de recreatieve wensen voor het gebied van de gemeente Weert en overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid (m.n. voor Zilvergroene Natuur). Eerder zijn er door de natuurorganisaties hierover brieven gezonden aan PS, ingekomen bij cie RLN van 12 september en 11 december, en vragen gesteld door de fractie van de SP.

Volgens de natuurorganisaties heeft het alternatieve plan een hogere ecologische en natuurwaarde dan het door CZW ontwikkelde plan waarmee de ontgrondingsvergunning is aangevraagd, en is het meer in overeen stemming met het provinciale ruimtelijke beleid.

In de Omgevingswet, die in 2018 in werking zal treden, wordt overleg van de aanvrager met belanghebbenden in de fase van de aanvraag verplicht.

1. Deelt u de opvatting dat bij vergunningverlening een door burgers ontwikkeld, en op haalbaarheid getoetst alternatief plan, een gelijkwaardige positie moet hebben bij de afweging?

En dat daarvoor het formeel-juridische beginsel van “beslissen op grondslag van de aanvraag” uiteindelijk geen beletsel mag zijn?

Het door CZW ontwikkelde plan, en het alternatief van de natuurorganisaties, zijn aan de gemeenteraad van Weert voorgelegd voor planologische toestemming. Daarbij is door de verantwoordelijk wethouder gesteld dat voor het alternatief van de natuurorganisaties een bestemmingsplanwijziging nodig zou zijn, en een MER (Milieu Effect Rapportage) moet worden opgesteld2, terwijl dit bij het plan van de CZW niet het geval zou zijn. En dat dit een onaanvaardbare vertraging in de besluitvorming zou opleveren.

Gegeven de stellingname van de wethouder heeft de gemeenteraad van Weert het alternatief van de natuurorganisaties verworpen. Een inhoudelijke discussies over de voor- en nadelen van de alternatieven is niet meer aan de orde geweest. Het door CZW ontwikkelde plan is vervolgens bij de provincie ingediend.

Volgens een Memo van het advocatenkantoor Habitat (gevoegd bij de brief van de Milieufederatie ingekomen bij RLN van 11 december jl.) is echter voor beide plannen een bestemmingsplanwijziging (of omgevingsvergunning voor afwijken) nodig.

2. Deelt u de analyse van het advocatenkantoor dat voor beide plannen een bestemmingsplanwijziging (afwijkvergunning) nodig is? En bent u van oordeel dat voor beide plannen een MER moet worden opgesteld?

3. Zo niet, waarom niet? En is het dan niet mogelijk om CZW op basis van de nu geldende vergunning door te laten werken en alsnog de procedure voor bestemmingsplanwijziging en MER te doorlopen?

4. Zo ja, deelt u de opvatting dat het wenselijk zou zijn dat er alsnog een inhoudelijke afweging plaats vindt tussen de plannen van CZW en het alternatief van de natuurorganisaties?

5. Bent u een bereid de Staten een notitie te zenden met een vergelijking van de voor- en nadelen van beide plannen, zodat een inhoudelijke discussie mogelijk wordt? Kunt u deze notitie tijdig toezenden zodat behandeling in de Commissie RLN van 1 april a.s. mogelijk is?

Op 1Limburg stond van maandag 29 februari een bericht dat er al uitvoering wordt gegeven aan de natuurcompensatie voor de zandwinning, o.a. door het aanleggen van bos. Volgens het bericht zijn bewoners en natuurorganisaties daartegen in verzet gekomen.

6. Hoe is het mogelijk dat nu reeds aan de natuurcompensatie wordt gewerkt, terwijl de ontgrondingsvergunning nog niet is verleend?

Graag zien wij uw antwoorden tegemoet binnen de daarvoor gestelde termijn.

Namens de fractie van de Partij voor de Dieren in het Limburgs Parlement,

P. Plusquin

Vraag 1. Deelt u de opvatting dat bij vergunningverlening een door burgers ontwikkeld, en op haalbaarheid getoetst alternatiefplan, een gelijkwaardige positie moet hebben bij de afweging?En dat daarvoor het formeel-juridisch beginsel van “beslissen op grondslag van de aanvraag” uiteindelijk geen beletsel mag zijn?

Antwoord.

Uitgangspunt in de vergunningenprocedure is dat beslist wordt op grondslag van de aanvraag. Dat betekent niet dat alternatieve plannen in de procedure geen rol zouden kunnen spelen. Het inrichtingsplan dat is opgenomen in de realisatieovereenkomst is uitgewerkt op basis van de gemeentelijke structuurvisie, dat middels een brede maatschappelijke discussie is opgesteld. Naar aanleiding van de realisatieovereenkomst heeft overleg plaatsgevonden tussen o.a. de gemeente Weert, CZW en belangenorganisaties (zoals natuur, sport, recreatie, ondernemers), waarbij ook het alternatieve plan is meegenomen. Dit regionale proces heeft geleid tot een compromis waarbij het plan van CZW is aangepast in die zin dat er in het zuidwesten van het plangebied een niet-vergraven zone van circa 200 meter is opgenomen. Op deze wijze wordt een buffer gecreëerd tussen het Natura 2000gebied

De Kruispeel en het plangebied. De gemeenteraad heeft haar wensen en bedenkingen kenbaar gemaakt en vervolgens ingestemd met dit aangepaste plan van CZW. Dit (op democratische wijze tot stand gekomen) aangepaste plan is vervolgens meegenomen in de vergunningprocedure.

Vraag 2. Deelt u de analyse van het advocatenkantoor dat voor beide plannen een bestemmingsplanwijziging (afwijkvergunning) nodig is? En bent van oordeel dat voor beide plannen een MER moet worden opgesteld?

Antwoord.

Wij delen niet de mening van het genoemde advocatenkantoor dat voor beide plannen een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is. De aangevraagde wijziging (van het inrichtingsplan) valt volledig binnen de huidige concessiegrens van het plangebied. De gemeente heeft ons bericht dat de aangevraagde wijziging ruimtelijk inpasbaar is. Voor een klein gedeelte binnen het plangebied (een bosstrook ter grootte van 1 ha.) zal de bestemming nog worden aangepast. Dit zal worden gedaan
middels een uitgebreide omgevingsvergunning, artikel 2.12 lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De gemeente is bereid hieraan medewerking te verlenen. Nu er geen (formele) bestemmingsplanwijziging nodig is, is er geen sprake van een MER-plicht.

Het alternatieve plan van de betreffende natuurorganisatie beslaat een relatief groot gebied buiten het concessiegebied. Om hieraan te kunnen meewerken dient er een (formele) bestemmingplanwijziging te worden doorlopen. In combinatie met de Passende Beoordeling die in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 voor de vergunningverlening moet worden uitgevoerd, leidt dit tot een MER-plicht. De gemeente Weert heeft zich in het verleden op het standpunt gesteld dat zij grote
wijzigingen in het bestemmingsplan via een formele bestemmingsplanprocedure wil afhandelen. Dit standpunt hanteert zij nog steeds.

Vraag 3. Zo niet, waarom niet? En is het dan niet mogelijk om CZW op basis van de nu geldende vergunning door te laten werken en alsnog de procedure voor bestemmingsplanwijziging en MER te doorlopen?


Antwoord.

Met betrekking tot de vraag waarom wij de mening van genoemd advocatenkantoor niet delen voor wat betreft de noodzaak voor een bestemmingsplanwijziging voor beide plannen, verwijzen wij naar ons antwoord op vraag 2.

Voor wat betreft het tweede deel van vraag 3 merken wij op dat op basis van de huidige vergunning CZW het concessiegebied bijna volledig heeft uitgebaat. Een planologische procedure en MER beslaat een lange doorlooptijd waardoor geen zekerheid is ten aanzien van de bedrijfscontinuïteit. Het stilvallen van
de productie betekent het einde van de zandwinning op deze locatie.

Vraag 4. Zo ja, deelt u de opvatting dat het wenselijk zou zijn dat er alsnog een inhoudelijke afweging plaats vindt tussen de plannen van CZW en het alternatief van de natuurorganisaties?

Antwoord.

Zie antwoord vraag 1. In de besluitvorming over de ontgrondingsvergunning wordt (onder andere) de meerwaarde van het aangevraagde project getoetst. Hierbij worden ook de regionale wensen voor het gebied meegenomen. Deze zijn in onderhavig geval vastgelegd in de tussen de gemeente Weert en
CZW overeengekomen realisatieovereenkomst. Via het regionale besluitvormingsproces over de realisatieovereenkomst en het daaruit voortvloeiende aangepaste plan (zie het antwoord op vraag 1) is het alternatieve plan van de natuurorganisaties in de vergunningprocedure meegenomen.

Vraag 5. Bent u bereid de Staten een notitie te zenden met een vergelijking van de voor- en nadelen van beide plannen, zodat een inhoudelijke discussie mogelijk wordt? Kunt u deze notitie tijdig toezenden zodat behandeling in de Commissie RLN van 1 april a.s. mogelijk is?


Antwoord.

Nee, wij achten een dergelijke notitie niet nodig, omdat de afweging reeds gemaakt is door de gemeenteraad van de gemeente Weert. De extra tijd die vanwege de MER-verplichting gekoppeld is aan het alternatieve plan van de Natuur en Milieufederatie Limburg (NMF-Limburg), alsmede het gegeven dat er opnieuw onderzoeken nodig zouden zijn voor dit plan, maakt uitvoering van dit plan ten opzichte van het aangevraagde plan onwenselijk. Overigens hebben wij in een ambtelijk overleg met de NMF-Limburg onze argumenten uitgewisseld, op basis waarvan het inrichtingsplan deels gewijzigd is.

Vraag 6. Hoe is het mogelijk dat nu reeds aan de natuurcompensatie wordt gewerkt, terwijl de ontgrondingsvergunning nog niet is verleend?


Antwoord.

De huidige ontgrondingsvergunning biedt ruimte om buiten het plangebied te compenseren. Daarnaast is het aanleggen van natuur – los van de vergunning – in principe altijd mogelijk. Het is eenieder toegestaan om te anticiperen op toekomstige ontwikkelingen. Uiteraard voor eigen rekening en risico.


Gedeputeerde Staten van Limburg