Vragen over fijn­stof­pro­ble­matiek en de inten­sieve veehou­derij


Indiendatum: feb. 2010

Geleen, 5 februari 2010

betreft: vragen art. 38 RvO over fijnstofproblematiek en de intensieve veehouderij

Geachte voorzitter,

De fractie van de Partij voor de Dieren heeft kennis genomen van het persbericht ’Luchtkwaliteit Eure­gio kan altijd beter’ van 1 februari 2010.

Als belangrijke bronnen van fijnstof worden in de persbericht genoemd het verkeer, verwarmingsinstal­laties en de industrie. Opmerkelijk is dat de intensieve veehouderij, een belangrijke bron van fijnstof, ontbreekt in het persbericht.

Landelijk is het verkeer verantwoordelijk voor 34% van de uitstoot van fijnstof en de industrie voor 28%1. De bijdrage van de landbouw aan de fijnstofproblematiek (lande­lijk verantwoordelijk voor 23% van de uitstoot, waarbij het grootste deel afkomstig is uit de intensieve veehouderij) wordt echter in het persbericht genegeerd. Dat is niet terecht. De intensieve veehouderij draagt lokaal bij aan hoge concentraties van fijnstof door clustering van veehouderijen, zoals in Noord-Lim­burg het geval is.

Naar aanleiding van het genoemde persbericht wil ik u graag de volgende (schriftelijke) vragen stellen (art. 38 RvO):

1.Vanaf welke waarde (aan uitstoot) wordt iets aangemerkt als een fijnstofbron?
2.Zal het informatiesysteem onderscheid maken tussen de verschillende soorten fijnstof (PM2,5 / PM10 / PM100)?
3.Welke fijnstofbronnen worden in het onderzoek betrokken?
4.Waarom wordt in het persbericht de belangrijke bijdrage aan de fijnstofproblematiek vanuit de intensieve veehouderij genegeerd?
5.Worden in dit onderzoek ook de intensieve veehouderijbedrijven als fijnstofbron betrokken? Zo nee, waarom niet?
6.Wordt in het geval van veehouderijen de uitstoot per bedrijf als meetresultaat weergege­ven of wordt de gezamenlijke uitstoot van de veehouderijbedrijven gemeten?
7.Beoogt het onderzoek een volledige opsomming van de locaties van fijnstofbronnen in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet?
8.Aan welke doelgerichte maatregelen wordt gedacht om de specifieke bronnen aan te pakken?
9.Leveren nieuwe infrastructurele projecten niet opnieuw een toename van fijnstof op?


In het persbericht van de provincie staat: “Tijdens een eerder project (naar de efficiëntie van bestaande industriële filters voor fijnstof) is gebleken dat de meetmethoden in de drie landen verschillen. Er zijn niet alleen verschillen in de wijze waarop de fijnstof wordt gemeten door verschillende instanties, er zijn ook verschillen in de interpretatie van de gemeten gegevens en in de toepassing ervan in ondersteu­nende modellen. Deze gegevens zijn nodig voor het maken en evalueren van beleidsmaatregelen en luchtkwaliteitplannen. Er is dus behoefte aan afstemming.”

10.In welk opzicht verschillen de metingen en interpretaties van de drie landen onderling? Waarom worden de gegevens anders geïnterpreteerd?

Ik stel prijs op een schriftelijke beantwoording van mijn vragen in de daarvoor geldende termijn van 30 dagen (artikel 38, Reglement van Orde).

Hoogachtend,
Namens de Partij voor de Dieren-fractie in de Provinciale Staten van Limburg,

Drs. F.P. Wassenberg
Fractievoorzitter

Indiendatum: feb. 2010
Antwoorddatum: 9 mrt. 2010

Vraag 1) Vanaf welke waarde (aan uitstoot) wordt iets aangemerkt als een fijnstofbron?

Hier is geen norm voor. In principe is elke bron die fijn stof uitstoot een fijnstofbron. Voor de aanpak vande fijn stof problematiek wordt met name gekeken naar beïnvloedbare bronnen (in eerste instantie opnationaal niveau). In het Nationaal Samenwerkingprogramma Luchtkwaliteit van het Ministerie van VROMfhttD://www.vrom.nl/paQina.html?id=23046) wordt de aanpak van de fijn stof problematiek beschreven.Hierin zijn als belangrijkste emissiebronnen genoemd;
Verkeer; Industrie, Energie en Raffinaderijen; Landbouw; HDO, Bouw en Consumenten

Vraag 2) Zal het informatiesysteem onderscheid maken tussen de verschillende soorten fijnstof(PM2.5/PM10/PM100)?

Het informatiesysteem zal zich in eerste plaats richten op PM10 en PM2.5 aangezien dit de huidigewettelijke maat (PM10) en de toekomstige wettelijke maat (PM2.5) is. Dit brengt met zich mee dat deverschillende meetnetten er op ingericht zijn om deze 2 parameters op adequate manier te kunnen metenmet een focus op PM10. PM100 zal niet meegenomen worden in dit onderzoek aangezien degezondheidseffecten hiervan te verwaarlozen zijn. Deze deeltjes worden door de neus en keel uit deingeademde lucht gefilterd.

Vraag 3) Welke fijnstofbronnen worden in het onderzoek betrokken?

In dit onderzoek zullen die bronnen betrokken worden die een relevante bijdrage leveren aan deconcentratie fijn stof in de Maas-Rijn Euregio bestaande uit het zuiden van de provincie Limburg(Nederland), de provincie Limburg (België), de provincie Luik (België), de Regio Aachen e.V. (Duitsland)en de Duitstalige Gemeenschap (België).

Vraag 4) Waarom wordt in het persbericht de belangrijke bijdrage aan de fijnstofproblematiek vanuit de intensieveveehouderij genegeerd?

Zoals al opgemerkt in de brief van Dhr. Wassenberg draagt de intensieve veehouderij lokaal bij aan hogeconcentraties fijnstof door de clustering van veehouderijen, zoals in Noord-ümburg. Het RIVM voertonderzoek uit naar de bijdrage van Landbouw Ontwikkelingsgebieden aan de concentraties van fijn stofen ammoniak in de directe omgeving. Op grond van tussentijdse resultaten in Brabant wordt die bijdragegeschat op ongeveer 20%. Op dit moment richt het project zicht echter op de Maas-Rijn Euregio waarweinig tot geen intensieve veehouderij aanwezig is. De belangrijkste bronnen voor fijnstof in deze regiozijn in dit geval het verkeer en in de industrie. Hiermee wordt het belang van de landbouw als fijnstof bronniet genegeerd maar slechts erkend dat het in de te onderzoeken regio een marginale rol speelt.

Vraag 5) Worden in dit onderzoek ook de intensieve veehouderijbedrijven als fijnstofbron betrokken? Zo nee,waarom niet?

Zoals opgemerkt bij vraag 3 en 4 zullen deze bronnen worden betrokken indien blijkt dat het een bron vanrelevante betekenis is in het te onderzoeken gebied. Op dit moment lijkt dit niet het geval, maar mocht uitde in het project uit te voeren emissie-inventarisatie blijken dat intensieve veehouderijen in hetonderzoeksgebied aanwezig zijn en deze intensieve veehouderijen als relevante bron wordenaangemerkt zullen deze zeker worden meegenomen.

Vraag 6) Wordt in het geval van veehouderijen de uitstoot per bedrijf als meetresultaat weergegeven of wordt degezamenlijke uitstoot van de veehouderijbedrijven gemeten?

Uit tot nu toe uitgevoerd onderzoek door het RIVM is gebleken, dat het vaststellen van de individuelebedrijven in een concentratiegebied ondoenlijk is.

Vraag 7) Beoogt het onderzoek een volledige opsomming van de locaties van fijnstofbronnen in kaart tebrengen? Zo nee, waarom niet?

Het is onmogelijk om alle locaties van fijnstofbronnen in kaart te brengen. Daarom zullen vooral diebronnen in kaart gebracht worden die een relevante bijdrage leveren aan de concentratie fijnstof in deEuregio.

Vraag 8) Aan welke doelgerichte maatregelen wordt gedacht om de specifieke bronnen aan te pakken?

In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is de aanpak beschreven om te voldoenaan de EU-normen voor luchtkwaliteit. De aanpak richt zich op fijn stof en stikstofdioxide omdat voor dezestoffen de normen overschreden worden. In het NSL is beschreven hoe via een programma vanmaatregelen op nationaal, regionaal en lokaal niveau gewerkt wordt aan het opheffen van deoverschrijdingssituaties voor fijn stof en stikstofdioxide- Op nationaal niveau zijn maatregelen genomenals subsidieregelingen voor roetfilters voor dieselvoertuigen; fiscale maatregeien via de BPM terstimulering van schone voertuigen; aanpassen van wet en regelgeving ter voorkoming van nieuweoverschrijdingen; subsidieregelingen voor maatregelen om de fijn stof emissies van veehouderijen terugte dringen. Op regionaal niveau gaat het onder meer om concessieverleningvoor het openbaar vervoeren subsidieregelingen ter stimulering van toepassing van schone brandstoffen. Op lokaal niveau gaat hetonder meer om verkeersmaatregelen zoals dynamisch verkeersmanangement, milieuzones, autoluwmaken van straten.

Vraag 9) Leveren nieuwe infrastructurele projecten niet opnieuw een toename van fijnstof op?

In wet- en regelgeving is nu geborgd dat nieuwe infrastructurele projecten niet tot normoverschrijdingenvan de luchtkwaliteitseisen mogen leiden.

Vraag 10) In welk opzicht verschillen de metingen en interpretaties van de drie landen onderling? Waarom wordende gegevens anders geïnterpreteerd?

De metingen in de verschillende landen verschillen door de verschillende opzet en het beheer van demeetnetwerken door historische en technische achtergronden. Dit betekent per saldo dat de metingen inde verschillende landen alleen te vergelijken zijn met behulp van een zogenaamde calibratiefactor,afgeleid van een referentieapparaat. Maar iedere lidstaat benadert de calibratie op een eigen manier. Hetis juist een doelstelling van dit project om hierin meer uniformiteit te brengen. De interpretatie van degegevens is vooral verschillend in de consequenties die een bepaalde concentratie fijn stof heeft.

In elke land zijn de Europese richtlijnen op een andere manier verwerkt in lokale en nationale wetgeving.Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat dezelfde concentratie fijn stof in het ene land tot een smog alarmlijdt en in het andere land niet.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer

Betrokken persoon