Vragen over Drijfjacht wilde zwijnen toestaan via “bewegingsjacht”

Geacht College,

Volgens een artikel uit de Limburger lobby’t de provincie in Den Haag om de wettelijke mogelijkheden voor de jacht op wilde zwijnen te verruimen, met name door de zogenaamde “bewegingsjacht” toe te staan. Bij deze jachtmethode worden de dieren eerst opgejaagd richting de jagers. De Partij voor de Dieren zet grote vraagtekens bij de diervriendelijkheid, effectiviteit en noodzaak van deze jachtmethode die eigenlijk een vorm van drijfjacht is, en wil weten welke preventieve maatregelen door de provincie zijn en worden ingezetom hetdoodschieten van wilde zwijnen te voorkomen en de kans op ongelukken en schade te voorkomen.

1) Is het juist dat GS aan het Ministerie van LNV heeft gevraagd om de zgn. “bewegingsjacht” op wilde zwijnen wettelijk mogelijk te maken?

2) Op welke wetenschappelijke publicaties baseert GS haar pleidooi voor de bewegingsjacht?

3) Hoe reageert GS op de kritiek van de Faunabescherming dat door de bewegingsjacht de onrust onderde dieren toeneemt waardoor gericht afschot (zonder niet-dodelijke verwondingen) juist bemoeilijktwordt, en de kans op verkeersongelukken juist toeneemt?

4) Als de bewegingsjacht zou worden toegestaan, hoe gaat de provincie er op toezien dat bij de jacht hetverschil met de nog steeds verboden drijfjacht niet vervaagt?

5) Zo ja, hoe wordt het daarvoor benodigde extra toezicht gefinancierd? Op welke andere taken van detoezichthouders wordt dan bezuinigd?

6) Welke preventieve maatregelen, zoals het aanbrengen van zwijnenrasters, zijn en worden ingezet omeventuele schade en overlast te voorkomen?

7) Welke maatregelen zijn er specifiek genomen om de kans op verkeersongelukken te verminderen?

8)Zijn er voor het jaar 2018 middelen in het budget voor preventieve maatregelen beschikbaar om meerpreventieve maatregelen te treffen?

9) Op welke manier gaat GS deze middelen inzetten?

10) Het grote areaal aan mais in Limburg draagt niet alleen bij aan erosie en grote waterloverlast, metname in Zuid Limburg maar biedt ook een overvloed aan voedsel en schuilmogelijkheden voor wilde zwijnen. Is GS bereid om bij de uitwerking van motie 2397, her-prioritering middelen ten behoeve van klimaatadaptatie, rekening te houden met de aantrekkingskracht van maisvelden op wilde zwijnen om zodoende de veiligheid van de burgers beter te borgen?

Graag antwoord op deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn,

 

P. Plusquin
Partij voor de Dieren

Antwoorden

Vraag 1.
Is het juist dat GS aan het Ministerie van LNV heeft gevraagd om de zgn. “bewegingsjacht” op wilde
zwijnen wettelijk mogelijk te maken?

Antwoord.
De populatiegrootte van het wild zwijn in Limburg is de afgelopen jaren blijven toenemen, ondanks grote
inspanningen van jagers in de provincie. Een verdere toename is ons inziens ongewenst, met name
vanwege het risico op het optreden van schade aan gewassen en met het oog op de verkeersveiligheid.
Samen met de faunabeheereenheid en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bekijken
wij welke aanvullende middelen en methoden kunnen worden ingezet om de toename tegen te gaan, bij
de uitwerking van een risicogebaseerde aanpak in relatie tot besmettelijke dierziekten zoals de
Afrikaanse Varkenspest. Een verruiming van de wettelijke mogelijkheden voor bewegingsjacht is ons
inziens een mogelijke maatregel die moet worden beoordeeld op toepasbaarheid in de provincie Limburg.  

Vraag 2.
Op welke wetenschappelijke publicaties baseert GS haar pleidooi voor de bewegingsjacht?

Antwoord.
In Nederland geldt sinds 2003 een verbod op alle vormen van drijf- of drukjacht op hoefdieren,
behoudens de in de provinciale omgevingsverordening toegestane één op één-methode. Uit onderzoek
van de Technische Universiteit Dresden is gebleken dat een combinatie van verschillende methoden,
waaronder de bewegingsjacht, nodig is om de stand van wilde zwijnen effectief te reduceren.

Vraag 3.
Hoe reageert GS op de kritiek van de Faunabescherming dat door de bewegingsjacht de onrust onder de
dieren toeneemt waardoor gericht afschot (zonder niet-dodelijke verwondingen) juist bemoeilijkt wordt, en
de kans op verkeersongelukken juist toeneemt?

Antwoord.
In België en Duitsland is bewegingsjacht toegestaan en heeft er de afgelopen decennia een
doorontwikkeling plaatsgevonden van de gebruikte methoden. Met deze methoden kan worden tegemoet
gekomen aan bezwaren die kleven aan de klassieke drijfjacht, namelijk grote onrust en onvoldoende
trefzekerheid. Methoden met goede resultaten zijn bijvoorbeeld de “aanzit-drukjacht” of de “stille
drukjacht”. Deze methoden leiden per saldo tot minder verstoring in het veld dan de nu toegestane
aanzitmethode, omdat het noodzakelijk afschot in minder dagen kan worden gerealiseerd.
 
Vraag 4.
Als de bewegingsjacht zou worden toegestaan, hoe gaat de provincie er op toezien dat bij de jacht het
verschil met de nog steeds verboden drijfjacht niet vervaagt?  
Antwoord.
De Provincie ziet toe op het gebruik van provinciale ontheffingen voor faunabeheer en het naleven van de
voorschriften van deze ontheffingen.
Vraag 5.
Zo ja, hoe wordt het daarvoor benodigde extra toezicht gefinancierd? Op welke andere taken van de
toezichthouders wordt dan bezuinigd?

Antwoord.
Er is in de huidige formatie van het cluster handhaving vooralsnog voldoende ruimte voor het toezicht op
provinciale ontheffingen voor faunabeheer; toezicht op eventuele ontheffingen voor bewegingsjacht past
binnen deze toezichtstaak en hoeft daarom niet ten koste te gaan van overig toezicht van de groene
wetgeving.  
Vraag 6.
Welke preventieve maatregelen, zoals het aanbrengen van zwijnenrasters, zijn en worden ingezet om
eventuele schade en overlast te voorkomen?  
Antwoord.
De Provincie investeert in wild zwijn-werende rasters tussen natuurgebieden en landbouwgebieden,
bijvoorbeeld in het Meinweggebied en langs de landsgrens ten noorden van dit gebied.

Vraag 7.
Welke maatregelen zijn er specifiek genomen om de kans op verkeersongelukken te verminderen?

Antwoord.
Om verkeersongevallen te voorkomen wordt gebruik gemaakt van rasters, veilige oversteekplaatsen,
onderdoorgangen, reflectoren en waarschuwingsborden.

Vraag 8.
Zijn er voor het jaar 2018 middelen in het budget voor preventieve maatregelen beschikbaar om meer
preventieve maatregelen te treffen?

Antwoord.
Ja, wij zijn voornemens om in 2018 een openstelling € 200.000,00 subsidie beschikbaar te stellen voor de
preventie van faunaschade.

Vraag 9.
Op welke manier gaat GS deze middelen inzetten?

Antwoord.
Wij zijn voornemens om een openstelling van de Subsidieregeling Inrichting Landelijk Gebied te doen
voor de aanschaf van materialen en voor de gebiedsgerichte coördinatie voor de preventie van
faunaschade.

Vraag 10.
Het grote areaal aan mais in Limburg draagt niet alleen bij aan erosie en grote waterloverlast, met name
in Zuid Limburg maar biedt ook een overvloed aan voedsel en schuilmogelijkheden voor wilde zwijnen. Is
GS bereid om bij de uitwerking van motie 2397, her-prioritering middelen ten behoeve van
klimaatadaptatie, rekening te houden met de aantrekkingskracht van maisvelden op wilde zwijnen om
zodoende de veiligheid van de burgers beter te borgen?

Antwoord.
Het areaal maïs biedt de wilde zwijnen in de zomer en in het najaar voedsel en schuilmogelijkheden.
Dit zorgt er mede voor dat de populatie niet door het voedselaanbod wordt beperkt en dat ingrijpen door
middel van afschot noodzakelijk is. Motie 2397 is gericht op het voorkomen van wateroverlast en moet
nog worden uitgewerkt. Wanneer daarbij het stimuleren van grasland ten koste van de teelt van maïs als
maatregel naar voren komt kan dit, als neveneffect, bijdragen aan de beheersing van de populatie wilde
zwijnen.

 

Gedeputeerde Staten van Limburg