Vragen over de ontbossing van het Brazi­li­aanse Regenwoud voor de aanleg van soja­plan­tages voor de productie van veevoer


Indiendatum: feb. 2009

Geleen, 2 februari 2009

Betreft: vragen (artikel 38 RvO) over niet-beantwoorde vragen over de ontbossing van het Braziliaanse regenwoud voor de aanleg van sojaplantages voor de productie van veevoer

Geachte voorzitter,

Tijdens de behandeling van het Beleidskader Duurzame Ontwikkeling/Cradle to Cradle in de Statencommissie voor het FD op 30 januari stelde ik in mijn eerste termijn een zeer concrete vraag aan gedeputeerde Kersten. Ik verwees naar pagina 7 van het Beleidskader, waar de volgende passages stonden:

“In elke samenleving is er een voortdurende spanning tussen ecologische, economische en sociale belangen, tussen het algemeen belang en het belang van het individu, voor zowel de huidige als toekomstige generaties. Deze spanning leidt tot afwenteling van problemen naar de toekomst en/of naar andere gebieden in deze wereld.”

en

“Tevens staat duurzame ontwikkeling voor het rekening houden met de gevolgen van ons handelen elders in deze wereld en voor de langere termijn.”

Megastallen veroorzaken niet alleen problemen in het gebied waar ze zullen verrijzen, ook elders zijn ze verantwoordelijk voor ernstige problemen. In Brazilië werd en wordt op grote schaal tropisch regenwoud gekapt om op de vrijgekomen grond soja te verbouwen ten behoeve van veevoer voor de intensieve veehouderij. Voor de Nederlandse intensieve veehouderij wordt daarvoor in Brazilië een oppervlak gebruikt dat verschillende malen groter is dan het oppervlakte van Nederland.

In andere publicaties en notities van de provincies worden ontwikkelingen rond megastallen expliciet overgoten met een C2C-sausje. Zo zijn worden de geplande megastallen in het Klavertje 4-gebied door de provincie beschreven in deC2C-terminologie.

Ik stelde gedeputeerde Kersten de vraag hoe hij de ontbossing van het tropisch regenwoud ten faveure van de intensieve veehouderij kon rijmen met de door de provincie zo uitbundig gepresenteerde C2C-gedachte.

Gedeputeerde Kersten weigerde expliciet om mijn vraag te beantwoorden (Kersten in zijn eerste termijn: ´Dus de wat deprimerende houding van de heer Wassenberg, daar wil ik niet al te lang bij stil staan. Daar verander je de wereld helemaal niet mee. En bij ieder onderwerp de megastallen erbij halen, dat wordt ook een beetje een dooddoener dus ik zal, als u het goed vindt voorzitter, daar mijn tijd niet aan besteden.`). Omdat ik meen dat ik als statenlid recht heb op een fatsoenlijk antwoord op mijn vragen, en uw college krachtens artikel 167, 2e lid van de Provinciewet gehouden is tot het geven van alle inlichtingen die Provinciale Staten voor de uitoefening van hun taak nodig hebben, stel ik mijn vragen nu schriftelijk, mij beroepend op art 38 RvO.


Vraag 1: Hoe rijmt meneer Kersten de grootschalige ontbossing van Zuid-Amerika ten behoeve van de veevoerproductie voor onder meer megastallen met de hierboven genoemde citaten (“Deze spanning leidt tot afwenteling van problemen naar de toekomst en/of naar andere gebieden in deze wereld.” en “Tevens staat duurzame ontwikkeling voor het rekening houden met de gevolgen van ons handelen elders in deze wereld en voor de langere termijn.”)

Vraag 2: Hoe rijmt gedeputeerde Kersten de grote CO2-uitstoot van megastallen met de C2C-gedachte (in het rapport Livestock's Long Shadow van de FAO (de voedselorganisatie van de VN) staat dat de veehouderij voor 19% verantwoordelijk is voor de CO2-uitstoot).

Vraag 3: Waarom heeft de gedeputeerde tijdens de behandeling van de Beleidsnota tot twee maal toe geweigerd om mijn vraag te beantwoorden (ik stelde de vraag in mijn eerste en tweede termijn)? Op basis van welke informatie oordeelt hij dat de discussie rond megastallen en de schade die hierdoor wordt veroorzaakt in andere gebieden in deze wereld een dooddoener is, waaraan hij zijn tijd niet beter niet kan besteden?

Ik roep u met klem op om deze vragen schriftelijk te beantwoorden vóór de statenvergadering van 13 februari, zodat Provinciale Staten kennis kunnen nemen van uw antwoord en dit kunnen betrekken bij de behandeling van genoemde Beleidsnotitie.


Hoogachtend,

Namens de Partij voor de Dieren-fractie in de Provinciale Staten van Limburg,


Drs. F.P. Wassenberg
Fractievoorzitter

Indiendatum: feb. 2009
Antwoorddatum: 17 feb. 2009

Vraag 1: Hoe rijmt meneer Kersten de grootschalige ontbossing van Zuid-Amerika ten behoeve van de veevoerproductie voor onder meer megastallen met de hierboven genoemde citaten ("Deze spanning leidt tot afwenteling van problemen naar de toekomst en/of naar andere gebieden in deze wereld" en "Tevens staat duurzame ontwikkeling voor het rekening houden met de gevolgen van ons handelen elders in deze wereld en voor de langere termijn")?

Antwoord.

In elke samenleving is er een voortdurende spanning tussen ecologische, economische en sociale belangen, tussen het algemeen belang en het belang van het individu, voor zowel de huidige als de toekomstige generaties. Waar het om gaat is de kwaliteit van de domeinen van people, planet en profit te vergroten. Voorlopig zal dit echter niet overal voor alle domeinen kunnen gebeuren, en zullen dus in bepaalde gebieden en op verschillende schaalniveaus voor een of meer domeinen negatieve effecten optreden. In navolging van het Europese en nationale beleid is ons beleid voor duurzame ontwikkeling erop gericht deze negatieve effecten te verminderen, voor zover dat binnen ons handelingsperspectief ligt.

Cradle to Cradle (C2C) zoekt net als duurzame ontwikkeling naar samenhang, balans en ontwikkeling van economie, ecologie en sociale aspecten. De kern van C2C is denken in kringlopen en systemen. De intensieve veehouderij is qua voedselvoorziening een niet-gesloten systeem. De intensieve veehouderij opereert in een internationale omgeving, met een open Europese markt, en een steeds vrijere
wereldmarkt. Gestreefd wordt naar een diervriendelijk veehouderijsysteem, internationaal concurrerend, een gesloten kringloop qua milieubelasting en voldoen aan maatschappelijke wensen qua productiewijze en beleving. Om dit te realiseren zijn grote maatschappelijke systeemveranderingen (transities) nodig, die lange tijd vergen. Het huisvesten van dieren in megastallen of kleinere bedrijven heeft in principe geen invloed op het sluiten van de voedselkringlopen, dus ook niet op meer of minder grootschalige ontbossing in Zuid Amerika. De aangehaalde internationale effecten staan los van de schaalvergroting. Schaalvergroting, biedt kansen om te investeren in milieu en te komen tot meer gesloten systemen, bijvoorbeeld in relatie
tot duurzame energieopwekking, luchtkwaliteit (fijn stof, stank, ammoniak) en (afval)water.

Vraag 2: Hoe rijmt meneer Kersten de grote CO2-uitstoot van megastallen met de C2C-gedachte (in het rapport Livestock's Long Shadow van de FAO - de voedselorganisatie van de VN - staat dat de veehouderij voor 19% verantwoordelijk is voor de CO2-uitstoot)?

Antwoord.

Het genoemde rapport geeft aan dat de wereldwijde veehouderij voor 18% verantwoordelijk is voor de uitstoot van broeikasgassen. De intensieve veehouderij in Nederland is verantwoordelijk voor 9% van de broeikasgassen. De CO2 emissies in de land- en tuinbouw in Nederland zijn voor circa 80% afkomstig van de verbranding van fossiele brandstoffen in de glastuinbouw. De overige broeikasgassen (methaan en lachgas) komen vrij uit de veehouderij en dan met name uit de melkveehouderij en beperkt uit de mest in stallen en opslag.
Wij zijn van mening dat schaalvergroting meer mogelijkheden biedt om duurzaamheidsprincipes/cradle to cradle toe te passen. Duurzame energie is een belangrijke pijler binnen C2C. De mest afkomstig uit de intensieve veehouderij kan gebruikt worden voor o.a. elektriciteit - en warmteopwekking binnen het eigen
bedrijf of in de omgeving, en bespaart hiermee CO2, zodoende is ons inziens schaalvergroting en C2C juist wel goed te combineren.

Vraag 3: Waarom heeft de gedeputeerde tijdens de behandeling van de Beleidsnota tot twee maal toe geweigerd om mijn vraag te beantwoorden (ik stelde de vraag in mijn eerste en tweede termijn)? Op basis van welke informatie oordeelt hij dat de discussie rond megastallen en de schade die hierdoor wordt veroorzaakt in
andere gebieden in deze wereld een dooddoener is, waaraan hij zijn tijd beter niet kan besteden?

Antwoord.
Wij zijn van mening dat de discussie rond megastallen reeds diverse keren gevoerd is waarbij telkenmale dezelfde standpunten en argumenten te berde zijn gebracht. Het overdoen van die discussie in het kader van het Beleidskader Duurzame Ontwikkeling/C2C is volgens ons niet zinvol. Graag verwijzen wij u naar onze brief aan PS van 11 november 2008 inzake het burgerinitiatief "Ja tegen boerenlandbouw, Nee tegen megastallen".

Gedeputeerde Staten van Limburg,