Schrif­te­lijke vragen over mogelijk jaren­lange bloot­stelling (oud-)werk­nemers DuPont Ornatex in Kerkrade aan giftige stoffen


Indiendatum: sep. 2016

Geacht College,

Vandaag kwam het onthutsende nieuws via de Volkskrant naar buiten1 dat (oud-)medewerkers vande fabriek van DuPont in Kerkrade mogelijk jarenlang zijn blootgesteld aan giftige stoffen. Voordeze blootstellig hadden of kregen de (oud-)medewerkers mogelijk geen of onvoldoende adequatebescherming. Dit zou blijken uit een rondgang bij 25 van deze (oud-)medewerkers. Bij de fabriek inKerkrade, waar Lycra wordt vervaardigd, zou het gaan om de giftige stof DMAc. Het verhaal in deVolkskrant maakt het nog meer wrang daar er al in 1986 intern onderzoek is gedaan en er ook eenarbo-dienst uit Heerlen – BGD – naar zou hebben gekeken. Men zou op de hoogte zijn geweest vante hoge concentraties voor het personeel.

Uiteraard maken de (oud-)werknemers zich inmiddels grote zorgen over hun gezondheid. Zekerkijkende naar de (strafrechtelijke) onderzoeken die er lopen rondom misstanden in een anderefabriek van DuPont in Dordrecht waar reeds ernstige misstanden aan het licht zijn gekomen metsoms dodelijke gevolgen voor de (oud-)medewerkers. DMAc kan uiteindelijkvruchtbaarheidsproblemen als ernstige leverschade toebrengen aan de mens.

Inmiddels is de betreffende fabriek in Kerkrade in eigendom overgegaan op INVISTA. Dit concernstelt dat er momenteel geen afwijkingen meer zijn met DMAc en dat het personeel ook adequaterbeschermd en betrokken wordt.

Gelet op deze ernstige casus willen GroenLinks en Partij voor de Dieren de volgende vragen aanhet college voorleggen:

1. Is het college op de hoogte van dit nieuws en op welke wijze is het college hiervan op dehoogte gesteld? Zo nee, is het college bereid zich op zo kort mogelijke termijn zich te lateninformeren hierover?

2. Welke rol(len) heeft/hebben de overheid(sorganisaties) in deze specifieke casus preventiefals correctief en de provinciale overheid in het bijzonder (gehad)? Gelieve dit ook inhistorisch perspectief te zetten van 1986 tot heden. Eveneens aandacht te schenken aanhet verschil tussen toen(DuPont/Ornatex) en heden (INVISTA) kijkend naar detotstandkoming de afgelopen jaren van gemeenschappelijke regelingen op dit vlak zoalsregionale uitvoeringsdiensten en veiligheidsregio’s.

3. Is het college het met GroenLinks en Partij voor de Dieren eens dat dit bericht eenzorgvuldig onafhankelijk onderzoek naar de mogelijke misstanden en(gezondheids)gevolgen bij de fabriek in Kerkrade rechtvaardigt? En dat de onderste steenboven dient te komen? Zo ja, welke rol(len) ziet het college hier voor de provincie of RUDZuid-Limburg in weggelegd en wil zij Provinciale Staten actief informeren over devoortgang? Zo nee, hoezo niet?

4. Kan het college nagaan of er vandaag de dag inderdaad alle voorzorgsmaatregelen zijngetroffen om verdere misstanden rondom de stof DMAc in de fabriek in Kerkrade zoveel alsmogelijk uit te sluiten? Zo ja, binnen welke termijn kan Provinciale Staten hieroveruitsluitstel krijgen? Zo nee, hoezo niet?

5. Is het college eveneens bereid te kijken of na te gaan welke mogelijke andere gevolgen demisstanden in de fabriek kunnen hebben voor mens en milieu? Zo ja, binnen welke termijnkan Provinciale Staten hierover uitsluitstel krijgen? Zo nee, hoezo niet?

Alvast dank voor uw zorgvuldige, hopelijk spoedige beantwoording.Met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin

Partij voor de Dieren

Indiendatum: sep. 2016
Antwoorddatum: 11 okt. 2016

Voorafgaand aan de beantwoording van de vragen informeren wij u in algemene zin.
Inhoudelijk hebben de gestelde vragen direct of indirect betrekking op arbeidsomstandigheden binneneen bedrijf (zoals blootstelling werknemers aan stoffen). Arbeidsomstandigheden en/of het toezichtdaarop hebben echter geen verband met taken of verantwoordelijkheden van ons college.
De betreffende vragen zijn daarom doorgeleid naar de Inspectie SZW (voormalige Arbeidsinspectie) enhet achterliggende Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ook is ons college niet (en ook nooit geweest) het bevoegd gezag ingevolge de Wabo, voorheen Wetmilieubeheer en daarvoor Hinderwet, voor de inrichting van DuPont (inmiddels INVISTA).
De antwoorden zijn daarom grotendeels opgehaald bij het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid, het RIVM en de gemeente Kerkrade.

Op 15 september jl. is onderstaand bericht ontvangen van het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid:
“Naar aanleiding van uw verzoek het volgende.
Zoals u weet, heeft de minister in reactie op vragen uit de Kamer toegezegd met een eenmalig diepgaandfeitenonderzoek te komen naar het gebruik van de stof DMAc bij Dupont Dordrecht, de destijdsgehanteerde werkprocessen en de bijbehorende risicobeheersingsmaatregelen die het bedrijf hanteerde.

Verder laat de minister nagaan wat in de archieven is terug te vinden over inspecties in het bedrijf doorde toezichthouder sinds de jaren zeventig. De minister zal te zijner tijd de Tweede Kamer over deuitkomsten van dit onderzoek informeren. U kunt verwijzen naar deze toezegging van de minister in uwbeantwoording”.

De brief van de minister aan de Tweede Kamer is als bijlage bijgevoegd.

De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid ziet overigens geen aanleiding het lopende onderzoekuit te breiden met de locatie Kerkrade: “dat heeft geen meerwaarde”, aldus de Inspectie.

Vraag 1) Is het college op de hoogte van dit nieuws en op welke wijze is het college hiervan op de hoogte gesteld?Zo nee, is het college bereid zich op zo kort mogelijke termijn te laten informeren hierover?

Ja, ons college heeft (ook) op vrijdag 2 september 2016 via de media kennis genomen van het mogelijkjarenlang blootgesteld zijn van medewerkers van DuPont in Kerkrade aan giftige stoffen.

Vraag 2) Welke rol(len) heeft/hebben de overheid(sorganisaties) in deze specifieke casus preventief als correctiefen de provinciale overheid in het bijzonder (gehad)? Gelieve dit ook in historisch perspectief te zetten van1986 tot heden. Eveneens aandacht te schenken aan het verschil tussen toen (DuPont/Ornatex) enheden (INVISTA) kijkend naar de totstandkoming de afgelopen jaren van gemeenschappelijke regelingenop dit vlak zoals regionale uitvoeringsdiensten en veiligheidsregio’s.

Toezicht op arbeidsveiligheid is een bevoegdheid die ligt bij het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid).
Zoals boven al aangegeven; de Provincie heeft nooit enige bevoegdheid gehad in het kader vanmilieuwetgeving. De gemeente Kerkrade is (altijd) vergunningverlenend bevoegd gezag voor demilieuwetgeving (geweest). De gemeente Kerkrade heeft het toezicht op dit bedrijf belegd in de
RUD Zuid-Limburg, voor zover het milieuaspecten betreft. Het gaat dan om toezicht op de naleving vanregels ter bescherming van “de omgeving”, zoals gesteld in de milieuvergunning voor het bedrijf. De RUDziet dus niet toe op naleving van regels ten aanzien van arbeidsomstandigheden (“binnenmilieu”);toezicht daarop vindt plaats door de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Vraag 3) Is het college het met GroenLinks en Partij voor de Dieren eens dat dit bericht een zorgvuldigonafhankelijk onderzoek naar de mogelijke misstanden en (gezondheids)gevolgen bij de fabriek inKerkrade rechtvaardigt? En dat de onderste steen boven dient te komen? Zo ja, welke rol(len) ziet hetcollege hier voor de provincie of RUD Zuid-Limburg in weggelegd en wil zij Provinciale Staten actiefinformeren over de voortgang? Zo nee, hoezo niet?

Ons college is eveneens van mening dat zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden naar de mogelijkemisstanden bij de (voormalige) DuPont-inrichting. Zoals boven aangegeven heeft de Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd met een eenmalig diepgaand feitenonderzoek te komennaar het gebruik van de stof DMAc bij Dupont. De minister zal te zijner tijd de Tweede Kamer over deuitkomsten van dit onderzoek informeren. Zodra ons college kennis heeft genomen van uitkomsten vanhet onderzoek van de minister zullen wij Provinciale Staten hierover informeren.

Ons college heeft geen bevoegdheden ten aanzien van de gevolgen voor de werknemers in relatie tot hetgebruik van giftige stoffen (arbeidsveiligheid). Ons college ziet daarom geen (initiërende) rol voor haarweggelegd.

Vraag 4) Kan het college nagaan of er vandaag de dag inderdaad alle voorzorgsmaatregelen zijn getroffen omverdere misstanden rondom de stof DMAc in de fabriek in Kerkrade zoveel als mogelijk uit te sluiten? Zoja, binnen welke termijn kan Provinciale Staten hierover uitsluitsel krijgen? Zo nee, hoezo niet?

Ons college is geen Wabo bevoegd gezag voor bij de inrichting van DuPont (inmiddels INVISTA) en heeftgeen bevoegdheden ten aanzien van de gevolgen voor de werknemers in relatie tot het gebruik vangiftige stoffen (arbeidsveiligheid en werknemersgezondheid).

Vraag 5) Is het college eveneens bereid te kijken of na te gaan welke mogelijke andere gevolgen de misstanden inde fabriek kunnen hebben voor mens en milieu? Zo ja, binnen welke termijn kan Provinciale Statenhierover uitsluitstel krijgen? Zo nee, hoezo niet?

De gemeente Kerkrade is (altijd) vergunningverlenend bevoegd gezag voor de milieuwetgeving(geweest).Ten aanzien van mogelijke andere gevolgen voor mens en milieu hebben wij de volgendeinformatie van de gemeente ontvangen:
“Bij de herziening van de vergunning voor het bedrijf in 1990 is gekeken naar emissie van DMAc vanuithet bedrijf naar de omgeving. Destijds is geconcludeerd dat er geen redenen waren om een emissie-eisop te nemen ter bescherming van omwonenden.

Het RIVM heeft recent gekeken naar de vraag of de emissie aan DMAc bij Dupont een risico voor deomgeving gevormd kan hebben. Het RIVM heeft gemeld dat de hoeveelheid DMAc die uit delycraspoelen kon uitdampen dermate beperkt was dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er een risico vooromwonenden is geweest.”

Het RIVM heeft een risicoschatting gemaakt. Conclusie van RIVM is dat er geen omgevingsrisico was enheeft zowel de gemeente Kerkrade als ons het volgende bericht: “Ik heb uitgerekend over welk volume deworst case uitstoting zich maximaal mag verspreiden om een risico niet uit te kunnen sluiten. Ik verwachtechter dat de stof zich over een veel groter volume zal verspreiden en dus dat er voor de bevolking in deomgeving geen risico is. Ik heb hierbij geen rekening gehouden met de halfwaardetijd die tot een noglagere concentratie zou leiden. Er zijn wel modellen die een schatting kunnen geven van de verspreidingvan een stof in de lucht maar ik verwacht dat een nauwkeurigere schatting niet nodig is.”

Gedeputeerde Staten van Limburg

voorzitter

secretaris