Schrif­te­lijke vragen over Meet­project lucht­kwa­liteit en stank in Venray


Geacht College,

Blijkens een bericht van de gemeente Venray1 gaat in die gemeente een meetproject van start “waarbij boeren en burgers een jaar lang de luchtkwaliteit meten”. Ze worden daarbij geholpen door de gemeente, het RIVM en ook de provincie Limburg. Het zou o.a. gaan om het meten van fijn stof en ammoniak. Blijkens de betrokken LLTB-vertegenwoordiger zouden de resultaten gebruikt kunnen worden bij het “dagelijks bedrijfsmanagement”.

1) Hoeveel financiële steun van de provincie ontvangt het meetproject in Venray?

2) Waarom wordt in Venray een project opgestart, terwijl blijkens de jaarlijkse rapportage luchtkwaliteit van het RIVM (Monitoringsrapportage NSL 2018) de grootste (bijna-) overschrijdingen voor fijn stof nog steeds plaats vinden in de gemeentes Nederweert, Peel en Maas en Weert?

3) Bij de vergunningverlening zijn voor fijnstof de zgn. GCN-kaarten van het RIVM maatgevend, gebaseerd op een wettelijk vastgestelde systematiek van modellen, berekeningen en vastgestelde meetpunten. Ook voor ammoniak zijn er wettelijk vastgestelde methoden. Kunnen de meetresultaten van het project in Venray wel gebruikt worden om vergunningvoorschriften van bestaande bedrijven aan te passen?

4) Is het in het algemeen goed mogelijk om, zonder significante investeringen, via maatregelen in de sfeer van het dagelijks bedrijfsmanagement fijnstof en ammoniakemissies terug te dringen? Zo ja, waarom worden die maatregelen niet nu al voorgeschreven?

5) De betrokken burgers hebben aangegeven juist behoefte te hebben aan meting van geuremissies, terwijl dat, zo heeft het RIVM verklaard, technisch nog niet mogelijk is en alleen indicatief door een telefoonapp. Duidelijk is dat vergunningen op basis hiervan niet kunnen worden aangepast, terwijl er bij burgers wel verwachtingen worden gewekt. Welke concrete praktijkvoorbeelden zijn er dat het dagelijks bedrijfsmanagement hierop blijvend is aangepast tot tevredenheid van de omgeving?

6) GS hebben aangekondigd “keukentafelgesprekken” te gaan voeren met agrariërs in geur-overlastgebieden over stoppen op vrijwillige basis, en geld uit trekken om stoppende bedrijven af te kopen. Om hoeveel geld gaat het, ten laste van welk voor 2019 door de Staten toegekend budget? Worden Provinciale Staten hierbij nog betrokken?

7) Worden bij de afkoop dan ook dier- en geurrechten opgekocht, of blijft het mogelijk dat door uitbreiding van bestaande bedrijven of nieuwvestiging de geuroverlast na afkoop alsnog toeneemt?

Gaarne beantwoording van de vragen binnen de daarvoor geldende termijn,

Met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin

Partij voor de Dieren

1) Hoeveel financiële steun van de provincie ontvangt het meetproject in Venray?

Antwoord.
Gedeputeerde Staten hebben nog geen formeel besluit over de financiële steun aan het project genomen. Binnenkort zal er een voorstel aan Gedeputeerde Staten worden voorgelegd waarbij wordt uitgegaan van een financiële steun van circa € 50.000,00 voor het onderdeel meten in en om de stal van dit project

2) Waarom wordt in Venray een project opgestart, terwijl blijkens de jaarlijkse rapportage luchtkwaliteit van het RIVM (Monitoringsrapportage NSL 2018) de grootste (bijna-) overschrijdingen voor fijn stof nog steeds plaats vinden in de gemeentes Nederweert, Peel en Maas en Weert?

Antwoord.
In de gemeente Venray was er sprake van vergevorderde plannen om via het gebruik van metingen bij de bron het vertrouwen tussen agrarische ondernemers en bewoners te verbeteren. Betrokken partijen zijn het daar eens over de noodzaak om via metingen meer inzicht te verkrijgen in de relatie tussen bedrijfshandelingen en omgevingshinder. Door de actieve opstelling van betrokken partijen in deze regio
is ook het RIVM betrokken geraakt bij dit project. Door de deelname van het RIVM zijn de kansen op een succesvol experiment meten op bedrijfsniveau in dit gebied het grootst. Zoals reeds aangegeven in de uitvoeringsagenda duurzame veehouderij richt het meten zich niet uitsluitend op fijn stof. Overigens zal er per 1 juni een subsidieregeling worden opengesteld die het mogelijk maakt om ook op
andere locaties met meetsensoren te experimenteren

3) Bij de vergunningverlening zijn voor fijnstof de zgn. GCN-kaarten van het RIVM maatgevend, gebaseerd op een wettelijk vastgestelde systematiek van modellen, berekeningen en vastgestelde meetpunten. Ook voor ammoniak zijn er wettelijk vastgestelde methoden. Kunnen de meetresultaten van het project in Venray wel gebruikt worden om vergunningvoorschriften van bestaande bedrijven aan te passen?

Antwoord.
Zoals ook al bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven betreft het een experimenteel project om de bijdrage van individuele bronnen (in Venray 4 agrarische locaties en een provinciale weg) aan de belasting van leefomgeving via sensoren in beeld te kunnen brengen. Op dit moment wordt er op agrarische bedrijven vrijwel nergens bij de bron gemeten. De meetgegevens van technieken die, ook vanuit kostenoverwegingen, geschikt zouden kunnen zijn om op bedrijfsniveau te meten zijn momenteel naar verwachting nog niet exact genoeg om daarop doelvoorschriften in vergunningen te baseren. Op het moment dat dit wel zo is, zullen wij er op inzetten om over te gaan naar een systeem van het opnemen
van doelvoorschriften in vergunningen, conform hetgeen hierover is opgenomen in de uitvoeringsagenda duurzame veehouderij. Daar zullen dan, via aanpassing van landelijke regelgeving, mogelijkheden voor gecreëerd moeten worden. Dit is dan een alternatief voor het huidige systeem van modellering, normering en middelenvoorschriften waarnaar u in uw vraagstelling refereert.

4) Is het in het algemeen goed mogelijk om, zonder significante investeringen, via maatregelen in de sfeer van het dagelijks bedrijfsmanagement fijnstof en ammoniakemissies terug te dringen? Zo ja, waarom worden die maatregelen niet nu al voorgeschreven?

Antwoord.
Of, en vooral in welke mate, maatregelen in de sfeer van dagelijks bedrijfsmanagement een bijdrage kunnen leveren aan het verminderen van emissie, is een van de onderzoeksvragen in dit project. Het via regelgeving verplicht stellen van maatregelen de sfeer van dagelijks bedrijfsmanagement zal zeer moeilijk te handhaven zijn. Dat is ook de reden dat wij op termijn streven naar het hanteren van doelvoorschriften (maximeren van emissie in combinatie met metingen via sensoren). In dit systeem is het aan de ondernemer om te bepalen met welke combinatie van staltechnieken en bedrijfsmanagement die doelen worden gerealiseerd. Handhaving geschiedt dan op basis van het bewaken van de gestelde doelen.

5) De betrokken burgers hebben aangegeven juist behoefte te hebben aan meting van geuremissies, terwijl dat, zo heeft het RIVM verklaard, technisch nog niet mogelijk is en alleen indicatief door een telefoonapp. Duidelijk is dat vergunningen op basis hiervan niet kunnen worden aangepast, terwijl er bij burgers wel verwachtingen worden gewekt. Welke concrete praktijkvoorbeelden zijn er dat het dagelijks bedrijfsmanagement hierop blijvend is aangepast tot tevredenheid van de omgeving?

Antwoord.
In dit project zitten omwonenden en agrarische ondernemers samen aan tafel. Een van de belangrijke doelen in het project is dan ook de samenwerking in het gebied en het herstellen van het onderlinge vertrouwen. In de voorbereiding zijn de verwachtingen van het project met vertegenwoordigers van omwonenden en agrarische ondernemers afgestemd. De mogelijkheden en onmogelijkheden zijn samen verkend en duidelijk is dat vergunningen niet direct zullen worden aangepast.

6) GS hebben aangekondigd “keukentafelgesprekken” te gaan voeren met agrariërs in geur-overlastgebieden over stoppen op vrijwillige basis, en geld uit trekken om stoppende bedrijven af te kopen. Om hoeveel geld gaat het, ten laste van welk voor 2019 door de Staten toegekend budget? Worden Provinciale Staten hierbij nog betrokken?

Antwoord.
Uw vraag heeft betrekking op het landelijk project warme sanering. LNV heeft voor dit project € 120 miljoen vrijgemaakt voor het opkopen (en uit de markt halen) van varkensrechten inclusief IVbestemming en milieuvergunning op met geur overbelaste locaties. De omvang van de veestapel zal hiermee dus kleiner worden, en op de betreffende locatie mogen geen bedrijfsactiviteiten in het kader van IV meer worden uitgevoerd. De bedrijven die hun bedrijfsactiviteiten beëindigen mogen ook niet op een andere locatie weer een nieuw IV bedrijf beginnen. De provincie faciliteert de begeleiding van potentiële deelnemers aan deze regeling om tot een gefundeerd besluit over het stoppen en over de periode na de beëindiging te komen. Gedeputeerde Staten hebben op 2 april een besluit genomen over het faciliteren van de begeleiding van stoppende ondernemers voor een bedrag van € 300.000,00 vanuit het budget LLTL2. Rond de zomer zal er door LNV meer informatie over deze regeling publiekelijk bekend worden gemaakt.

7) Worden bij de afkoop dan ook dier- en geurrechten opgekocht, of blijft het mogelijk dat door uitbreiding van bestaande bedrijven of nieuwvestiging de geuroverlast na afkoop alsnog toeneemt?