Schrif­te­lijke vragen over Aanpak fijnstof emissies


Geacht College,

In de gemeente Nederweert, waar er volgens de officiële gegevens van het RIVM structurele overschrijding is van de normen voor fijn stof, worden nog steeds vergunningen verleend voor uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen.

Dit terwijl vanwege die overschrijdingssituatie het zogenaamde Niet in Betekende Mate (NIBM) criterium (volgens welke vergunningen met een effect beneden 3% van de norm altijd toelaatbaar zijn) juist voor dit gebied door het Ministerie uit de wet- en regelgeving is gehaald. In de Staten is een motie aangenomen voor een integrale aanpak van milieu- en gezondheidsproblemen ten gevolge van concentraties van intensieve veehouderijen (o.a.) in het gebied.

1) Kunt u verklaren dat er in een overschrijdingsgebied als Nederweert, waar het NIBM-criterium buiten werking is gesteld, nog steeds vergunningen voor uitbreiding en/of nieuwvestiging van veehouderijen worden verleend? Ook als die meer uitstoot met zich meebrengen?

2) Op welke manier geeft het College uitvoering aan de motie integrale aanpak milieu- en gezondheidsproblemen intensieve veehouderij?

3) Al geruime tijd geleden is door de provincie een onderzoek gestart naar de exacte oorzaken van de normoverschrijdingen in het gebied.

a. Wanneer worden de resultaten van dit onderzoek naar Provinciale Staten gezonden?

b. Brengen de uitkomsten met zich mee dat er vergunningen (zullen) worden verleend die zonder het onderzoek niet mogelijk waren geweest?

c. Zo niet, en de wijze van vergunningverlening wordt niet veranderd, wat is dan het doel van het onderzoek?

Tegen de mogelijke vestiging van een geitenstal in een leeg staande stal in Nederweert (aanvraag gepubliceerd https://www.oozo.nl/bekendmakingen/nederweert/nederweert/bosserstraat-lage-kuilen/omgevingsvergunning/1503574/gerrisstraat-4-omschakelen-van-varkenshouderij-en-)

is in de omgeving veel verzet. Blijkens de aanmeldnotitie m.e.r. wil de aanvrager gebruik maken van “vergunde rechten” uit de tijd dat de stal nog werd gebruikt als varkensstal.

4) Omwonenden hebben een petitie ingediend tegen de mogelijke vestiging van een grote geitenstal te Nederweert in stallen die al jaren leeg staan https://www.limburger.nl/cnt/dmf20180205_00055442/buurt-nederweert-tegen-komst-geitenhouderij

Blijkens de aanmeldnotitie m.e.r. wil aanvrager bij de emissies, w.o. fijn stof en ammoniak, uitgaan van de eerder vergunde situatie. Is het juist om bij de beoordeling van emissies de eerder vergunde, en niet de feitelijke situatie als referentie te gebruiken?

5) Zo ja, hoe kunnen dan, bij het blijven erkennen van vergunde rechten, de emissies in het gebied ooit naar beneden worden gebracht? Had het gemeentebestuur van Nederweert de niet gebruikte vergunning niet beter in kunnen trekken?

6) Op welke wijze wordt bij de vergunningverlening de gezondheid van omwonenden bij de beoordeling betrokken, gegeven de resultaten van het recente VGO-onderzoek waaruit bij geitenhouderijen een significant hoger risico op longaandoeningen bleek?

Recentelijk is een gedoogvergunning verleend voor de uitbreiding van het aantal vluchten op Maastricht

Aachen Airport. Voor de luchthaven Schiphol zijn er eerder onderzoeken gedaan naar de uitstoot van

ultrafijnstof, die aanmerkelijk bleek te zijn.

7) Meerssen ligt zeer dichtbij Maastricht Aachen Airport (MAA). Zijn er metingen gedaan van de concentratie ultrafijnstof in Meerssen, en de te verwachten belasting door de uitbreiding van het aantal vluchten op MAA?

8) a. Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten? En hoe verhouden die zich tot max. advieswaarden voor ultrafijnstof?

b. Zo neen, denkt u niet dat dit, inclusief een prognose aan de hand van de verwachte toename van het vliegverkeer, beslist nodig is om een correcte bestuursbeslissing t.a.v. de uitbreiding van MAA te nemen?

Graag beantwoording binnen de daarvoor gestelde termijn,

Pascale Plusquin Carla Brugman

Partij voor de Dieren GroenLinks

Antwoorddatum: 3 apr. 2018

Vooraf

De vragen 1, 4, 5 en 6 hebben betrekking op aangelegenheden waarvoor de gemeente Nederweert het bevoegde gezag is. De beantwoording van deze vragen heeft daarom in samenspraak met de Gemeente Nederweert plaatsgevonden

In de gemeente Nederweert, waar er volgens de officiële gegevens van het RIVM structurele overschrijding is van de normen voor fijn stof, worden nog steeds vergunningen verleend voor uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen.

Dit terwijl vanwege die overschrijdingssituatie het zogenaamde Niet in Betekende Mate (NIBM) criterium (volgens welke vergunningen met een effect beneden 3% van de norm altijd toelaatbaar zijn) juist voor dit gebied door het Ministerie uit de wet- en regelgeving is gehaald. In de Staten is een motie aangenomen voor een integrale aanpak van milieu- en gezondheidsproblemen ten gevolge van concentraties van intensieve veehouderijen (o.a.) in het gebied.

Vraag 1.
Kunt u verklaren dat er in een overschrijdingsgebied als Nederweert, waar het NIBM-criterium buiten werking is gesteld, nog steeds vergunningen voor uitbreiding en/of nieuwvestiging van veehouderijen worden verleend? Ook als die meer uitstoot met zich meebrengen?

Antwoord.
Dat het NIBM criterium buiten werking is gesteld betekent uitsluitend dat ook kleine emissietoenames met luchtkwaliteits onderzoek getoetst moeten worden. De manier van toetsen verschilt niet van de reguliere toetsingsmethodiek voor luchtkwaliteit.

Voor het verlenen van een vergunning aan een bedrijf waarbij, een van de normen voor (ultra) fijn stof wordt overschreden, geldt dat vergunning verleend wordt indien aannemelijk gemaakt wordt dat (conform Wet Milieubeheer artikel 5.16) : “de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft”.

Een bedrijf dat voldoet aan de norm mag de ruimte die er nog is tot aan de norm opvullen.

Er zijn op dit moment geen juridische mogelijkheden om bij het verlenen van vergunningen strengere normen voor fijnstof belasting te hanteren dan landelijk bepaald. Samen met onze partners zoeken wij daarom naar andere wegen om een verbetering van de omgevingskwaliteit te bereiken.

Vraag 2.
Op welke manier geeft het College uitvoering aan de motie integrale aanpak milieu- en gezondheidsproblemen intensieve veehouderij?

Antwoord.
Uitvoering aan de motie doen wij via 5 sporen

Spoor 1. Samen met het ministerie en de betrokken gemeenten werken wij aan een aanpak om de overschrijdingen van de landelijke normen van fijnstof te saneren, waarbij we er tevens voor moeten
zorgen dat er geen nieuwe overschrijdingen ontstaan.

Spoor 2: Samen met de provincie Brabant werken wij aan een invulling van de door het ministerie
toegezegde gelden (200 miljoen) voor het saneren van de varkenshouderij. De mogelijkheden om winst te behalen voor de emissie van fijnstof zal wat ons betreft een van de criteria zijn waarop de te saneren locaties worden geselecteerd.

Spoor 3: In samenwerking met gemeenten en stakeholders werken wij aan een meer concreet regulerend beleid voor de komende jaren, gebruik makend van bestaande en nieuwe juridische instrumenten zoals de omgevingswet.

Spoor 4; Innovaties in de stalsystemen zullen wij blijven steunen.

Spoor 5: We zullen samen met onze partners bij de betrokken ministeries pleiten voor een betere duiding van de achterliggende oorzaken van de via de VGO onderzoeken geconstateerde gezondheidsrisico’s en een adequater instrumentarium om de problemen aan te pakken. Ter illustratie is een brief van Gedeputeerde Staten aan het Ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit bijgevoegd.

Spoor 6: We leveren zelf een bijdrage aan onderzoeken zodat de kennis en inzicht over het ontstaan van (ultra) fijnstof, en de achterliggende oorzaken van gezondheidsproblemen, toeneemt. Naar verwachting leidt dit tot een beter zicht op mogelijkheden voor het bereiken van een meer duurzame landbouw.

Wij verwachten dat wij nog voor de zomervakantie een meer concrete invulling van de motie aan de staten kunnen voorleggen.

Vraag 3.
Al geruime tijd geleden is door de provincie een onderzoek gestart naar de exacte oorzaken van de normoverschrijdingen in het gebied.
A. Wanneer worden de resultaten van dit onderzoek naar Provinciale Staten gezonden?
B. Brengen de uitkomsten met zich mee dat er vergunningen (zullen) worden verleend die zonder het onderzoek niet mogelijk waren geweest?
C. Zo niet, en de wijze van vergunningverlening wordt niet veranderd, wat is dan het doel van het onderzoek?

Antwoord.
U vraagstelling heeft ons inziens betrekking op twee verschillende onderzoeken mbt fijn stof in Nederweert en omstreken.

Een daarvan betreft onderzoek naar het vormingsmechanisme van (ultra) fijn stof door ammoniak. Dit is een wetenschappelijk onderzoek bedoeld om meer kennis op te doen. Daarbij wordt ook gekeken naar de endotoxine belasting in de directe omgeving van intensieve veehouderijen. Dit onderzoek loopt tot het
einde van dit jaar. De resultaten daarvan kunnen begin 2019 aan de staten worden gezonden.

Het tweede onderzoek betreft een modelonderzoek, gebruik makend van verleende vergunningen, om tot een nauwkeuriger toets methode te komen voor het beoordelen van nieuwe vergunningsaanvragen van veehouderijen op het aspect fijn stof Het risico op nieuwe normoverschrijdingen is daardoor kleiner ten opzichte van tot de huidige toetsingsmethodiek. Het model wordt momenteel nog niet als zodanig gebruikt, er loopt nog een discussie met het Ministerie van IenW over het feit of deze berekeningswijze voldoet aan de huidige wet en regelgeving. Op 4 april is er een overleg met de staatssecretaris van IenW waar dit aan de orde zal
komen.

Tegen de mogelijke vestiging van een geitenstal in een leeg staande stal in Nederweert (aanvraag gepubliceerd https://www.oozo.nl/bekendmakingen/nederweert/nederweert/bosserstraat-lage-kuilen/omgevingsvergunning/1503574/gerrisstraat-4-omschakelen-van-varkenshouderii-en-)
is in de omgeving veel verzet. Blijkens de aanmeldnotitie m.e.r. wil de aanvrager gebruik maken van "vergunde rechten" uit de tijd dat de stal nog werd gebruikt als varkensstal.

Vraag 4.
Omwonenden hebben een petitie ingediend tegen de mogelijke vestiging van een grote geitenstal te Nederweert in stallen die al jaren leeg staan https://www.limburger.nl/cnt/d... 00055442/buurtnederweert-tegen-komst-geitenhouderii
Blijkens de aanmeldnotitie m.e.r. wil aanvrager bij de emissies, w.o. fijn stof en ammoniak, uitgaan van de eerder vergunde situatie. Is het juist om bij de beoordeling van emissies de eerder vergunde, en niet de feitelijke situatie als referentie te gebruiken?

Antwoord.
Ja het is juist dat er bij dit soort aanvragen uitgegaan wordt van de vigerende rechten (vergunning of melding) en niet van de feitelijke situatie.

Vraag 5.
Zo ja, hoe kunnen dan, bij het blijven erkennen van vergunde rechten, de emissies in het gebied ooit naar beneden worden gebracht? Had het gemeentebestuur van Nederweert de niet gebruikte vergunning niet beter in kunnen trekken?

Antwoord.
Het verlagen van de vergunde emissie kan niet worden afgedwongen, zonder maatschappelijke kosten. Een verlaging op het niveau van de bedrijfslocatie is nu nog grotendeels afhankelijk van nieuwe aanvragen waarin een reductie behaald wordt, en daarmee afhankelijk van de medewerking van de ondernemer om de vergunde emissie vrijwillig omlaag te brengen. Bij het toepassen van emissiereducerende systemen kan de vergunning zelfs weer worden opgevuld met dieren tot aan de oorspronkelijk vergunde rechten. Omdat echter in het mestoverschotgebied Zuid de totale mestproductierechten niet kunnen toenemen zal de emissie op gebiedsniveau wel verminderen.

Een andere methode om emissie omlaag te brengen is het opkopen van rechten.
Het bedrijf waarnaar in de vraagstelling wordt verwezen is sinds 1-1-2013 op basis van zijn omvang geen vergunningsplichtig maar een meldingsplichtig bedrijf.
Een melding kan een bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Nederweert, niet
intrekken. Dus ook al zou de gemeente Nederweert een actief intrekkingsbeleid voor vergunningen hebben gehad, dan had dat in dit geval niet toegepast kunnen worden.

Als onderdeel van het bij vraag 2 vernoemde spoor 3 werken wij samen met de gemeenten aan een methodiek om langdurig niet gebruikte ruimte (ook wel latente ruimte genoemd) binnen bestemmingen en vergunningen in te trekken, zonder dat dit maatschappelijke kosten met zich meebrengt

Vraag 6.
Op welke wijze wordt bij de vergunningverlening de gezondheid van omwonenden bij de beoordeling betrokken, gegeven de resultaten van het recente VGO-onderzoek waaruit bij geitenhouderijen een significant hoger risico op longaandoeningen bleek?

Antwoord.
Zowel landelijk als provinciaal is er geen standstil voor geiten aangekondigd. Verder is er nog geen concreet juridisch toetsingskader met betrekking tot gezondheid bij geitenhouderijen. Het VGO en het VGO2 onderzoek geeft aan dat er een hoger risico op longaandoeningen is bij geitenhouderijen (overigens ook bij varkenshouderijen en pluimveehouderijen). Van de andere kant heeft omvorming van een varkenshouderij of pluimveehouderij naar een geitenhouderij positieve effecten op de emissie van fijnstof en ammoniak. Dit is het dilemma waar tegen aan gelopen wordt bij de afweging of een dergelijke omvorming wel of niet voordelig is uit oogpunt van de effecten op de leefomgeving. Om die afweging goed te kunnen maken zullen er meer aanvullende studies gedaan moeten worden.

Zo lang er geen aanvullende onderzoek gedaan is, en er derhalve geen nieuw toetsingskader beschikbaar is, is er voor het bevoegde gezag geen andere mogelijkheid dan te toetsen aan de bestaande wettelijke eisen.

Recentelijk is een gedoogvergunning verleend voor de uitbreiding van het aantal vluchten op Maastricht. Aachen Airport. Voor de luchthaven Schiphol zijn er eerder onderzoeken gedaan naar de uitstoot van ultrafijnstof, die aanmerkelijk bleek te zijn.
Aachen Airport. Voor de luchthaven Schiphol zijn er eerder onderzoeken gedaan naar de uitstoot van ultrafijnstof, die aanmerkelijk bleek te zijn.

Vraag 7.
Meerssen ligt zeer dichtbij Maastricht Aachen Airport (MAA). Zijn er metingen gedaan van de concentratie ultrafijnstof in Meerssen, en de te verwachten belasting door de uitbreiding van het aantal vluchten op
MAA?

Antwoord.
Er zijn geen metingen verricht naar de concentratie van ultrafijnstof in Meerssen.
In het kader van de aanvraag van het Luchthavenbesluit is bij de MER beoordelingsnotitie de uitkomsten van eerder onderzoek naar effecten op de concentratie fijnstof betrokken. Daaruit kon worden afgeleid dat het aangevraagde luchthavenbesluit een zeer geringe bijdrage aan de totale fijnstof concentratie tot gevolg heeft en dat de waarden overall onder wettelijk normen blijven.

Vraag 8.
a. Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten? En hoe verhouden die zich tot max. advieswaarden voor ultrafijnstof?
b. Zo neen, denkt u niet dat dit, inclusief een prognose aan de hand van de verwachte toename van het vliegverkeer, beslist nodig is om een correcte bestuursbeslissing t.a.v. de uitbreiding van MAA te nemen?

Antwoord.
Er bestaat nu geen eenduidig zicht op de relatie tussen de concentraties van ultrafijnstof in de omgeving van vliegvelden en de volksgezondheidseffecten. Bovendien gelden er voor de concentraties van ultrafijnstof in de lucht geen wettelijk normen en of maximale advieswaarden. Het Rijk heeft het RIVM opdracht gegeven om een onderzoek te doen naar de effecten op de omgeving van vliegverkeer met
betrekking tot ultrafijnstof bij Schiphol. Uit dat onderzoek zal blijken of er een relatie te leggen valt tussen vliegvelden, ultrafijnstof emissies en de effecten op de gezondheid in de omgeving. De conclusies en de vervolgacties uit dat onderzoek zullen nauw gevolg worden.



Gedeputeerde Staten van Limburg