Schrif­te­lijke vragen inzake mest­ver­wer­kings­fa­briek Grub­ben­vorst


Geacht college,

Er zijn plannen voor een mestverwerkingsfabriek langs de A73 bij Grubbenvorst. Dit zou de grootste dergelijke installatie van Nederland moeten worden. De fracties van SP, GroenLinks en Partij voor de Dieren zijn bezorgd over deze ontwikkeling en hebben een aantal vragen over de locatie, de procedure rondom de vergunningaanvraag, de effecten voor milieu en gezondheid en andere risico’s die kleven aan de mestverwerkingsfabriek. Ook vinden de fracties het van belang dat er zorgvuldig wordt omgegaan met omwonenden en bezwaarmakers.

De drie fracties hebben daarom de volgende vragen aan het provinciebestuur:

1. Het is aannemelijk dat de mestverwerkingsfabriek negatieve effecten zal hebben qua
milieu en gezondheid. Op pagina 45 van de ontwerp omgevingsvergunning wordt echter
gesteld dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Hoe beargumenteert het college van GS dit?

2. Wat zijn de te verwachten effecten van de geplande installatie voor geur, fijnstof, stikstof en ammoniak?

3. Wat zijn de te verwachten effecten op de volksgezondheid van de installatie?

4. Hoe wordt het risico op calamiteiten ingeschat en wat wordt hiertegen gedaan?

5. Hoe zit het met de cumulatie van nadelige effecten voor het milieu? Het plangebied van de
installatie ligt bijvoorbeeld dichtbij het plangebied van het Nieuw Gemengd Bedrijf in
Grubbenvorst. Wordt hier rekening mee gehouden?

6. Hoe worden de risico’s door onder andere lekkages en storingen ingeschat?

7. Waarom komt er geen MER-onderzoek, zodat de gevolgen voor het milieu en de
volksgezondheid onafhankelijk getoetst kunnen worden?

8. Is het college van GS bereid om alsnog in te zetten op een MER-onderzoek voor deze
mestverwerkingsfabriek?

9. De vergunningvraag is pas op 12 oktober 2017 pas volledig gemaakt, met een reeks van
tientallen aanvullende documenten. Hoe is het mogelijk dat vervolgens binnen 8
werkdagen de vergunning is verleend en gepubliceerd?

10. Hoe past de vergunningaanvraag binnen de bestuurlijke afspraken, als uitwerking van het POL, over grootschalige mestverwerking? Zal er in de centrale ook mest van buiten Limburg verwerkt worden?

11. Is er een vergunning ten aanzien van de Natuurbeschermingswet aangevraagd en
verkregen? Zo nee, waarom niet?

In een van de zienswijzen die zijn ingediend op de planvorming is het volgende te lezen: “De brandweer heeft Uw College het volgende advies gegeven: Zorg dat personen die binnen 540 meter van de inrichting verblijven op de hoogte zijn van de risico’s die vanuit de inrichting op hen van toepassing zijn. Zodat ze kunnen handelen naar de effecten die kunnen optreden. U legt dit advies van de Brandweer expliciet naast u neer. In uw ontwerpbesluit (pag. 28/29) geeft u aan dat u van mening bent dat u hier niets mee hoeft te doen. Dit geeft reden voor grote onrust over de veiligheid.”

12. Hoe beoordeelt het college van GS de stelling uit bovengenoemde zienswijze dat hiermee onvoldoende recht gedaan wordt aan de zorgen van omwonenden?

13. Hoe zit het met de wettelijke afspraken op dit gebied en wordt daar in voldoende mate aantegemoet gekomen?

14. Hoe beoordeelt het college van GS de stelling dat hierdoor het advies van de
Veiligheidsregio Noord-Limburg in de wind zou worden geslagen?

De installatie zal een enorme hoeveelheid afvalwater lozen in het nabijgelegen oppervlaktewater (Gekkengraaf).

15. Wat zijn de risico’s hiervan voor het oppervlaktewater en grondwater, door o.a. nutriënten, medicijnresten en antibiotica die in het water terecht zullen komen?

16. Wat zou het verlenen van deze vergunning kunnen betekenen voor de doelstellingen van de provincie op het gebied van waterkwaliteit?

17. Is het waterschap Limburg betrokken en hoe heeft het waterschap gereageerd op de
voorgenomen plannen?

Meten is weten, dus het ligt voor de hand om na het verlenen van een vergunning vanuit
handhaving streng toe te zien op de verschillende normen.

18. Hoe ziet het handhavingstraject eruit als deze installatie vergund zou worden?

19. Wordt er voorzien in extra metingen met betrekking tot uitstoot, geur en waterkwaliteit als de vergunning verleend zou worden?

Er is veel bezorgdheid en weerstand in de omgeving van het plangebied. De fracties van SP, GroenLinks en Partij voor de Dieren vinden het van groot belang dat er zorgvuldig wordt omgegaan met omwonenden en bezwaarmakers.

20. Is het college van GS bekend met de enorme weerstand in de omgeving van het
plangebied?

21. Hoe is het overleg met omwonenden voorafgaand aan en tijdens de vergunningprocedure geregeld?

22. Wat gaat het college van GS doen om de dialoog met omwonenden en bezwaarmakers te verbeteren, zodat de bezwaren en zorgen die er zijn serieus worden genomen?

23. Wat zijn de logistieke gevolgen van de installatie voor de omgeving?

De fracties van SP, GroenLinks en Partij voor de Dieren betijfelen of deze vergunning juridisch houdbaar is.

24. Hoe beoordeelt het college van GS de juridische houdbaarheid van deze vergunning,
gezien de in bovenstaande vragen genoemde aspecten, zoals risico’s bij calamiteiten, uitstoot, geur en gevolgen voor de waterkwaliteit?

Wij rekenen op beantwoording binnen de daarvoor gestelde termijn.

Namens de fracties van

Bram Schaminée, SP

Carla Brugman, GroenLinks

Pascale Plusquin, Partij voor de Dieren

Antwoorddatum: 27 feb. 2018

Vraag 1.

Het is aannemelijk dat de mestverwerkingsfabriek negatieve effecten zal hebben qua milieu en gezondheid. Op pagina 45 van de ontwerp omgevingsvergunning wordt echter gesteld dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Hoe beargumenteert het college van GS dit?

Antwoord.

Op pagina 45 (§3.5) van het ontwerpbesluit wordt ingegaan op het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), waarbij is aangegeven dat voorafgaande aan de ingediende aanvraag omgevingsvergunning de procedure m.e.r.-beoordeling is doorlopen. Op grond van een op 13 juni 2016 ontvangen schriftelijke mededeling m.e.r.-beoordelingsplicht hebben wij op 28 juli 2016 een besluit genomen (zaaknummer 016-600565).

De oprichting van de inrichting van RMS zal een zekere milieubelasting naar de omgeving veroorzaken. Deze milieubelasting is in de aanmeldingsnotitie inzichtelijk gemaakt en in ons besluit getoetst aan de wettelijke beoordelingscriteria (de kenmerken en plaats van de activiteit en de kenmerken van mogelijke effecten) genoemd in Bijlage III van de Europese MER-richtlijn. Op grond van deze toetsing oordelen wij dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn en dat daarom gelet op artikel 7.17, lid 1 van de Wet milieubeheer het opstellen van een milieueffectrapport (MER) niet noodzakelijk is.

Vraag 2.
Wat zijn de te verwachten effecten van de geplande installatie voor geur, fijn stof, stikstof en ammoniak?

Antwoord.
Deze effecten zijn uitgebreid inzichtelijk gemaakt en beoordeeld in §3.3.2.2 (ammoniak), §3.3.2.3 (geur), §3.7.1 (gebiedsbescherming ‘stikstofdepositie’) en §4.4.7 (fijn stof) van het ontwerpbesluit.

Uit deze beoordeling blijkt dat geen van deze effecten aan vergunningverlening in de weg staat. Kortheidshalve verwijzen wij hier naar de beoordeling.

Vraag 3.
Wat zijn de te verwachten effecten op de volksgezondheid van de installatie?

Antwoord.
In §4.4.8 van het ontwerpbesluit, waarnaar wij kortheidshalve verwijzen, wordt uitgebreid ingegaan op het aspect volksgezondheid in relatie tot mestverwerking en covergisting. Op basis van een aantal genoemde rapporten is de conclusie dat de risico’s voor de volksgezondheid vanuit mestverwerkingsinstallaties zeer gering zijn en dat het opleggen van specifieke voorschriften niet noodzakelijk is.

Vraag 4.
Hoe wordt het risico op calamiteiten ingeschat en wat wordt hiertegen gedaan?

Antwoord.
Allereerst moet worden opgemerkt dat de omgevingsvergunning is aangevraagd en in ontwerp is vastgesteld voor een representatieve bedrijfssituatie. Het risico op een calamiteit wordt niet hoog ingeschat. Voorwaarde hierbij is dat RMS zich houdt aan de voorschriften en de aanvraag die deel uitmaken van de omgevingsvergunning.

Daarnaast zijn in de vergunning voorschriften opgenomen om een eventuele calamiteit te voorkomen. Als voorbeeld wordt genoemd dat de opslagen van drijfmest en digestaat dienen te beschikken over een kwaliteitsverklaring dat ze zijn uitgevoerd overeenkomstig het aangewezen normdocument en wat de
referentieperiode is. Deze referentieperiode geeft aan hoelang de opslagen mestdicht zijn. Daarnaast moeten deze opslagen worden goedgekeurd door een erkende instelling of persoon. Voor de opslagen van gevaarlijke stoffen (o.a. dieselolie, zuur en loog) zijn installatievoorwaarden en keuringseisen opgenomen.

Verder heeft in §4.4.5 van het ontwerpbesluit een uitgebreide afweging plaatsgevonden voor het aspect (externe)veiligheid en zijn in §7.1.6 ook een groot aantal voorschriften opgenomen. In deze voorschriften is onder andere opgenomen dat een explosieveiligheidsdocument en een risico inventarisatie en –
evaluatie (RI&E) moet worden opgesteld voor de onderdelen gasontploffing en de gevarenzone-indeling. Ook moet in overleg met en onder goedkeuring van de Veiligheidsregio Limburg-Noord een brandbestrijdings- en calamiteitenplan aanwezig zijn. Verder zijn er een groot aantal voorschriften opgenomen ter waarborging van de veiligheid van de vergisting- en biogasopwaardeerinstallatie.

Vraag 5.
Hoe zit het met de cumulatie van nadelige effecten voor het milieu? Het plangebied van de installatie ligt bijvoorbeeld dichtbij het plangebied van het Nieuw Gemengd Bedrijf in Grubbenvorst. Wordt hier rekening mee gehouden?

Antwoord.
In een (aanvraag) omgevingsvergunning en het vastgestelde ontwerpbesluit worden alleen de milieueffecten van de inrichting van RMS inzichtelijk gemaakt en beoordeeld. Er is dus geen rekening gehouden met de mogelijke cumulatieve effecten van andere initiatieven (o.a. Heideveld en Kuijpers binnen Concept Nieuw Gemengd Bedrijf). Dit is nu eenmaal de systematiek van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht. Voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit (oa fijn stof) is het wel zo dat bij de toetsing aan de wettelijke grenswaarde rekening wordt gehouden met de achtergrondconcentratie ter plaatse. In deze achtergrondconcentratie is meegenomen de aanwezigheid van andere bedrijven die van invloed zijn op de luchtkwaliteit.

Vraag 6.
Hoe worden de risico’s door onder andere lekkages en storingen ingeschat?

Antwoord.
Het risico op lekkages en storingen wordt niet hoog ingeschat. Uitgangspunt hierbij is dat RMS zich houd aan de vergunningsvoorschriften en de aanvraag die deel uitmaken van de vergunning.

Vraag 7.
Waarom komt er geen MER-onderzoek, zodat de gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid onafhankelijk getoetst kunnen worden?

Vraag 8.
Is het college van GS bereid om alsnog in te zetten op een MER-onderzoek voor deze mestverwerkingsfabriek?

Antwoord 7+8.
Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 9.
De vergunningsaanvraag is pas op 12 oktober 2017 volledig gemaakt, met een reeks van tientallen aanvullende documenten. Hoe is het mogelijk dat vervolgens binnen 8 werkdagen de vergunning is verleend en gepubliceerd?

Antwoord.
Voor de data van de ingediende aanvraag en alle aanvullende gegevens zie §2.5 en hoofdstuk 9 van het ontwerpbesluit. Hieruit blijkt inderdaad dat de laatste aanvulling dateert van 12 oktober 2017. Dat vervolgens het ontwerpbesluit binnen 8 werkdagen op 19 oktober 2017 is vastgesteld valt eenvoudig te verklaren.

Gelet op duur van de procedure (zie §2.5 van het ontwerpbesluit) was op 12 oktober 2017 het ontwerpbesluit in concept al klaar en was het alleen nog wachten op de laatste aanvullingen, waarvan bekend was welke er zouden komen. Daardoor was het mogelijk om het ontwerpbesluit op 19 oktober 2017 zo snel na de laatste aanvulling vast te stellen.

Vraag 10.
Hoe past de vergunningsaanvraag binnen de bestuurlijke afspraken, als uitwerking van het POL, over grootschalige mestverwerking? Zal er in de centrale ook mest van buiten Limburg verwerkt worden?

Antwoord.
Het initiatief van RMS past binnen de bestuurlijke afspraken van mestverwerking in Noord-Limburg en het POL.

In het POL §7.6.3 is onder andere opgenomen dat de sector voor de komen jaren de ambitie heeft om de mestverwerkingscapaciteit uit te breiden. Naast bewezen technieken zijn er veel technieken in ontwikkeling. Afhankelijke van de techniek is een bepaald schaalniveau noodzakelijk (bedrijfsniveau, regionaal niveau of grootschalig), dat van invloed is op de locatiekeuze. De beste locaties voor regionale
en grootschalige mestverwerkingsinstallaties zijn bedrijventerreinen. Deze locaties passen het beste bij het karakter van dergelijke voorzieningen en beschikken over een goede ontsluiting. Ook ontwikkelingsgebieden voor grootschalige clusters land- en tuinbouwbedrijven lenen zich voor regionale mestverwerking.

Uit navraag bij de initiatiefnemer blijkt dat naar verwachting 10% van de mest van buiten de provincie Limburg wordt aangevoerd.

Binnen de inrichting wordt maximaal 600.000 ton/jaar aan dierlijke mest en cosubstraten geaccepteerd en be- en verwerkt bestaande uit:
- 450.000 ton/jaar aan drijfmest en fracties gescheiden mest (varkens, rundvee en overige pelsdieren);
- 150.000 ton/jaar aan cosubstraten (berm- en natuurgras) en vaste mest (rundvee, varkens, geiten, schapen, pluimvee, paarden en overige pelsdieren).

Vraag 11.
Is er een vergunning ten aanzien van de Natuurbeschermingswet aangevraagd en verkregen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord.
Voorafgaande aan de ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning is op 28 juli 2016 een vergunning aangevraagd op grond van artikel 19d, eerste lid van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998).

Het is relevant te noemen dat op 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden is.De Wnb vervangt onder meer volledig de Nbw 1998. Uit artikel 9.10, eerste lid, van de Wnb volgt dat voornoemde vergunningaanvraag vanaf 1 januari 2017 wordt behandeld overeenkomstig het bepaalde bijof krachtens de Wnb. Dat laatste heeft onder meer tot resultaat dat voornoemde aanvraag om een
vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 vanaf 1 januari 2017 geldt als een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.

Verder is belangrijk dat de aanvraag omgevingsvergunning diverse malen is aangevuld (zie beantwoording vraag 9) hetgeen tot gevolg heeft gehad dat ook telkenmale beoordeeld moest worden of de aanvraag Wnb eveneens aanpassing behoefde. Op dit moment wordt de aanvraag zoals deze nu voorligt beoordeeld en daaropvolgend zal besluitvorming plaatsvinden.

Inleidende tekst bij vraag 12, 13 en 14 In een van de zienswijzen die zijn ingediend op de planvorming is het volgende te lezen: “De brandweer heeft Uw College het volgende advies gegeven: Zorg dat personen die binnen 540 meter van de
inrichting verblijven op de hoogte zijn van de risico’s die vanuit de inrichting op hen van toepassing zijn. Zodat ze kunnen handelen naar de effecten die kunnen optreden. U legt dit advies van de Brandweer expliciet naast u neer. In uw ontwerpbesluit (pag. 28/29) geeft u aan dat u van mening bent dat u hier niets mee hoeft te doen. Dit geeft reden voor grote onrust over de veiligheid.”

Vraag 12.
Hoe beoordeelt het college van GS de stelling uit bovengenoemde zienswijze dat hiermee onvoldoende recht gedaan wordt aan de zorgen van omwonenden?

Antwoord.
De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft in haar advies het verzoek gedaan om personen die binnen 540meter van de inrichting verblijven, te informeren over de risico’s die vanuit de inrichting op hen van toepassing zijn. In het ontwerpbesluit zijn wij abusievelijk vergeten aan dit verzoek een voorschrift te verbinden in de vergunning. Wij zullen deze omissie corrigeren in het nog vast te stellen definitieve
besluit.

Vraag 13.
Hoe zit het met de wettelijke afspraken op dit gebied en wordt daar in voldoende mate aan tegemoet gekomen?

Antwoord.
In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 van de Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.4 van het Bor,
hebben wij de aanvraag ter advies verzonden aan onder andere het bestuur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Naar onze mening zijn wij in voldoende mate tegemoet gekomen aan het (aanvullend) advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Het is wel zo dat wij in het ontwerpbesluit een zelfstandige afweging moeten maken. Een verdergaande verplichting dan welke het wettelijke vergunningenkader biedt, kan en
zal door de vergunningsaanvrager met succes juridisch aangevochten worden. Dit betekent concreet dat daar waar een advies verder gaat dan wat je mag regelen in een omgevingsvergunning, dit wordt uitgelegd in de overwegingen van het ontwerpbesluit. Zie onder andere ons antwoord op vraag 12. Verder hebben wij naar aanleiding van het aanvullende advies aangegeven dat het verplicht doorrekenen
van een aantal aanvullende scenario’s (fakkelbrand en toxisch) niet kan worden verlangd, omdat de inrichting van RMS niet valt onder het BRZO en BEVI. Inmiddels heeft er wel overleg plaatsgevonden met RMS en hebben zij toegezegd vrijwillig deze door de Veiligheidsregio Limburg-Noord gevraagde scenario’s en domino-effecten te laten doorrekenen.

Vraag 14.
Hoe beoordeelt het college van GS de stelling dat hierdoor het advies van de Veiligheidsregio NoordLimburg in de wind zou worden geslagen?

Antwoord.
Zie ons antwoord onderr 12 en 13.

Vraag 15.
Wat zijn de risico’s hiervan voor het oppervlaktewater en grondwater, door o.a. nutriënten, medicijnresten en antibiotica die in het water terecht zullen komen?

Antwoord.
Een landelijk toetsingskader om lozingen van restanten van medicijnresten en antibiotica van mestverwerkingsinstallaties (MVI) te kunnen beoordelen ontbreekt op dit moment. Het Waterschap Limburg heeft hierin samen met een aantal waterschappen en nog andere instanties voorzien. Kern van
dit toetsingskader is dat lozingen kunnen worden vergund, mits de juiste eindzuivering wordt toegepast (omgekeerde osmose) en de goede werking van de techniek is geborgd. Specialisten op het gebied van zuiveringstechnieken
en mestverwerkingsinstallaties geven aan dat omgekeerde osmose, medicijnresten en antibiotica voldoende terughouden.

Dit geldt trouwens ook voor de nutriënten voor zover deze nog in de te behandelen
afvalwaterstroom naar de omgekeerde osmose installatie voorkomen.

Uit wetenschappelijk onderbouwde rapportages voor onder andere de drinkwaterproductie blijkt dat ultrafiltratie voor de verwijdering van microverontreinigingen (zoals geneesmiddelen) en bacteriën een
zuiveringsrendement heeft tot circa 80 %. Omgekeerde osmose heeft verwijderingsrendementen tot meer dan 95 %.

In de voorschriften van de door het Waterschap Limburg verleende ontwerp Watervergunning is opgenomen dat het afvalwater door een extra zuiveringstap, een omgekeerde osmose installatie, dient te worden geleid voorafgaand aan het lozen in het oppervlaktewaterlichaam. Het betreft hier een in de praktijk bewezen techniek die toepasbaar en effectief is. Deze techniek is daarom bepaald als beste beschikbare techniek (BBT). De mogelijke risico’s als gevolg van het lozen van afvalwater (voor wat betreft resten van nutriënten, medicijnresten en antibiotica) zijn niet significant als gevolg van proces- en zuiveringsstappen in de inrichting.

Als vangnet zijn in het ontwerpbesluit Watervergunning lozingseisen opgenomen voor nutriënten, waarbij ook is opgenomen dat elke kalendermaand een monstername en analyse dient plaats te vinden van het te lozen effluent van de mestverwerkingsinstallatie en de verplichte rapportage hiervan aan het dagelijks bestuur van het Waterschap.

Vraag 16.
Wat zou het verlenen van deze vergunning kunnen betekenen voor de doelstellingen van de provincie op het gebied van waterkwaliteit?

Antwoord.
Dit heeft geen invloed, omdat het beleid van de Provincie wordt meegenomen in het kader van de vergunningverlening.

Vraag 17.
Is het waterschap Limburg betrokken en hoe heeft het waterschap gereageerd op de voorgenomen plannen?

Antwoord.
Ja, het Waterschap Limburg is net zoals de provincie Limburg vanaf het vooroverleg betrokken bij het initiatief van RMS. De ontwerpvergunning is gecoördineerd tussen provincie en waterschap tot stand gekomen. Daarbij richt het waterschap zich met name op de waterkwaliteitsaspecten

Vraag 18.
Hoe ziet het handhavingstraject eruit als deze installatie vergund zou worden?

Antwoord.
Als het definitieve besluit voor de omgevingsvergunning is afgegeven zal allereerst gecontroleerd gaan worden op de activiteiten die samenhangen met het bouwproces (beoordelen van de uitgestelde indieningsvereisten o.a. gegevens en bescheiden met betrekking tot bouwkundige aspecten zoals belastingen en belastingcombinaties, het indienen van het programma van eisen voor de brandmeld- en ontruimingsinstallatie en bouwveiligheidsplan). Verdere zal ten aanzien van het aspect externe veiligheid gecontroleerd worden of:
- binnen 3 maanden voor de start van de bouwwerkzaamheden een explosieveiligheidsdocument en een risico inventarisatie en –evaluatie (RI&E) zijn opgesteld;
- binnen 4 maanden na het van kracht worden van de vergunning in overleg met en onder goedkeuring van de Veiligheidsregio Limburg-Noord een brandbestrijdings- en calamiteitenplan is opgesteld.

Pas nadat de inrichting van RMS daadwerkelijk is gerealiseerd en inwerking is getreden kan daadwerkelijk worden gecontroleerd op de vergunning(voorschriften) en de rechtstreeks geldende eisen uit het Activiteitenbesluit in relatie tot de activiteit milieu (o.a. geur, geluid en bodem). Hiervoor zal het bedrijf worden opgenomen in het reguliere toezicht en controleprogramma.

Vraag 19.
Wordt er voorzien in extra metingen met betrekking tot uitstoot, geur en waterkwaliteit als de vergunning verleend zou worden?

Antwoord.
Aangezien het aspect geur is geregeld in de BREF is niet voorzien in het uitvoeren van extra geurmetingen.

De inrichting van RMS wordt aangemerkt als een zogenaamde IPPC-installatie, waardoor het aspect geur is geregeld in de BREF “afvalbehandeling” en niet in het Activiteitenbesluit. In deze BREF zijn voor biologische behandeling de Beste Beschikbare Technieken (BBT) opgenomen waar in vergunningverlening rekening mee moet worden gehouden. Daarbij is opgenomen een gereinigde
geurvracht (500 – 6.000 Odour Unit (OU/m3) met toepassing van good housekeeping, regeneratieve thermische naverbranding en stofverwijdering.

Alhoewel binnen de inrichting van RMS geen regeneratieve thermische naverbrander aanwezig is kan met de te realiseren nageschakelde technieken (combinatie chemische luchtwassers en actief koolfilters) na de beide emissiepunten EP1 (mestopslagen) en EP2 (droogproces) worden voldaan aan de in de BREF “afvalbehandeling” opgenomen range van 500 – 6.000 Odour Unit (OU
E/m3).

Uit jurisprudentie volgt dat als een andere techniek wordt toegepast dan opgenomen in de BREF, maar met deze andere techniek hetzelfde resultaat wordt gerealiseerd, deze combinatie van technieken ook als BBT kan worden aangemerkt. Voor deze combinatie van technieken wordt uitgegaan van een geurverwijderingsrendement van 90%.

In het ontwerpbesluit hebben wij abusievelijk verzuimd voorschriften te verbinden in de vergunning voor wat betreft het rendement van de combinatie van de nageschakelde technieken. Wij zullen deze omissie E corrigeren in het nog vast te stellen definitieve besluit

In het kader van de voorliggende omgevingsvergunning mogen wij alleen eisen stellen voor het lozen van afvalwater op de openbare riolering. Het binnen de inrichting vrijkomende bedrijfs - en huishoudelijk afvalwater wordt, na reiniging in een bezinkput en olie-/waterafscheider, geloosd op het gemeentelijk vuilwaterriool. Ten aanzien van deze lozing is niet voorzien van extra metingen. Dit is overigens ook niet gebruikelijk. Wel zijn voorschriften opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Ten
behoeve van een effectieve handhaving zijn in deze vergunning de bovengenoemde voorschriften aangevuld met een aantal voorschriften met betrekking tot de aanwezigheid van een controleput en, ter bescherming van het openbaar riool, parameters die bepalend zijn voor de corrosieve eigenschappen van het afvalwater.

Ten aanzien van de lozing van afvalwater op het oppervlaktewater zie onze beantwoording van vraag 15.

Vraag 20.
Is het college van GS bekend met de enorme weerstand in de omgeving van het plangebied?

Antwoord.
Ja. Tegen het ontwerpbesluit zijn een groot aantal zienswijzen ingediend.

Vraag 21.
Hoe is het overleg met omwonenden voorafgaand aan en tijdens de vergunningprocedure geregeld?

Antwoord.
Uitgaande van de beleidsmatige mogelijkheden uit het POL en de afweging die gemaakt zijn in de m.e.r.beoordelingsprocedure
heeft in de tot dusverre gevoerde vergunningenprocedure geen overleg plaatsgevonden met omwonenden. In de periode van 6 weken dat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen is hier door omwonenden ook niet om verzocht.

Vraag 22.
Wat gaat het college van GS doen om de dialoog met omwonenden en bezwaarmakers te verbeteren, zodat de bezwaren en zorgen die er zijn serieus worden genomen?

Antwoord.
Zie ook het antwoord onder 21.
De zorgen die door omwonenden tot uitdrukking zijn gebracht in de vele zienswijzen die tegen het ontwerp van de vergunning kenbaar zijn gemaakt, zullen serieus en uiterst zorgvuldig worden getoetst in de verdere voortgang van het proces. Nu de inspraak (zowel mondeling als schriftelijk) met betrekking tot het ontwerp vergunningenbesluit is afgerond kan de finale besluitvorming worden voorbereid waarbij, zoals reeds opgemerkt, de ingebrachte zienswijzen zorgvuldig beoordeeld en gewogen zullen worden.

Vraag 23.
Wat zijn de logistieke gevolgen van de installatie voor de omgeving?

Antwoord.
De voorgenomen inrichting van RMS is gelegen op het bedrijventerrein Klaver 11 en wordt volledig ontsloten via de Horsterweg. Volgens tabel 3.7 van het geluidrapport gaat het om 134, 14 en 2 vrachtwagenbewegingen en 20, 5 en 5 personenwagens in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode

Deze extra verkeersaantallen en de daarmee samenhangende verkeerseffecten zijn reeds meegenomen in het nieuwe door de gemeente Horst aan de Maas vastgestelde bestemmingsplan Klaver 11. Bij deze beoordeling ligt de nadruk op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).

Verder is in het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning het aspect indirecte hinder beoordeeld, dit als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting van RMS.

Uit deze beoordeling komt naar voren dat bij een 2-tal woningen aan de Horsterweg de voorkeursgrenswaarde van 50 en 45 dB(A) voor respectievelijk de dag- en avondperiode met maximaal 1 dB(A) wordt overschreden. Ondanks deze minimale overschrijding is aannemelijk dat, gelet op de gevelwering van 20 dB(A) van de woningen, het geluidniveau in de woning van 33 dB(A) wordt gerespecteerd. Daarnaast kan ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarde van 65 dB(A).

Vraag 24.
Hoe beoordeelt het college van GS de juridische houdbaarheid van deze vergunning, gezien de in bovenstaande vragen genoemde aspecten, zoals risico’s bij calamiteiten, uitstoot, geur en gevolgen voor de waterkwaliteit?

Antwoord.
We hebben bij de behandeling van de vergunningsaanvraag alle inhoudelijke en juridische aspecten en aandachtspunten goed bestudeerd en beoordeeld en alle relevante belangen zorgvuldig gewogen. Uitgaande van een goed onderbouwde en gedegen opgebouwde ontwerpvergunning zien wij eventuele juridische procedures dan ook met vertrouwen tegemoet.



Gedeputeerde Staten van Limburg