Schrif­te­lijke vragen: Gezond­heids­schade vee industrie


Geacht College,

Het recent uitgekomen onderzoek van RIVM/IRAS in samenwerking met Wageningen UR en NIVEL heeft een eind gemaakt aan iedere twijfel omtrent de schadelijke gezondheidseffecten van de intensieve veehouderij. Bij de rechter sneuvelen verleende vergunningen al vanwege gezondheidsschade, op grond van GGD-rapportages. GGD’s wijzen er al jaren op dat de bestaande normen voor fijn stof tekort schieten vanuit gezondheidsoogpunt.

1. Hoe gaat de provincie Limburg ervoor zorgen dat er bij de (omgevings-)vergunningverlening aan veehouderijen rekening gehouden wordt met het RIVM/IRAS rapport en de meest recente wetenschappelijke kennis vanuit de GGD-rapportages en onderzoeken?

De Provincie Limburg heeft op dit moment alleen een eigen beleid via de zgn. schone stallen aanpak, maar die geldt alleen voor nieuwvestigingen en uitbreidingen. Bestaande bedrijven blijven ongemoeid.

De Limburgse gemeente Nederweert sloeg recent nog alarm, reagerend op de landelijke fijn stof rapportage van het RIVM (Monitoring Rapportage NSL 2015, pag. 78), omdat de al jaren durende overschrijdingen in die gemeente van de fijn stof normen niet onder controle zijn te krijgen en de huidige wet- en regelgeving tekort schiet om knelpuntbedrijven in beweging te krijgen. Ook in antwoord op vragen van de Groen Links fractie (beantwoord dd. 23 februari jl.), met name vraag 6, gaf uw College aan dat vergunningruimtes nog steeds worden opgevuld en dat er niet cumulatief word getoetst: er wordt alleen gekeken naar de uitstoot per individueel bedrijf.

2. Wat gaat de provincie Limburg doen om de gemeente Nederweert, en andere gemeentes, de instrumenten te geven waar zij om vraagt, om de fijn stof uitstoot van bestaande bedrijven, naast die van uitbreidingen, terug te brengen? Welke acties richting de landelijke overheid zullen daarin worden ondernomen, ook tezamen met andere provincies?

In haar Ruimtelijke Ordeningsbeleid maakt de provincie Limburg nog steeds uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen mogelijk. Onder omwonenden is veel bezorgdheid daarover.

3. Hoe gaat de provincie Limburg haar ruimtelijke ordeningsbeleid, met name de Ruimtelijke Verordening, aanpassen om een halt toe te roepen aan uitbreiding en nieuwvestiging intensieve van veehouderijen?

4. Gaat de provincie, in afwachting daarvan, vanuit het voorzorgbeginsel, een voorlopig verbod (moratorium) opleggen op uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen?

De gezondheidsschade ontstaat door uitstoot van fijn stof, micro-organismen, endotoxinen, ammoniak, maar ook door geurhinder, zo blijkt ook uit het RIVM/IRAS rapport. Op 27 juni jl. heeft de rechter de uitbreiding van een veehouderij in Reusel-de Mierden verboden, vanwege een recent GGD rapport over de gezondheidseffecten van geurhinder. De provincie Noord-Brabant heeft in de eigen Verordening Ruimte een toets opgenomen op de cumulatie van geurhinder, zodat er niet telkens bedrijven bij kunnen komen die op zich individueel nog aan de normen voldoen.

5. Geldt in de concentratiegebieden in Limburg een hogere norm voor geurhinder? Zo ja, in welke gebieden, en hoe verhoudt die norm zich tot de in andere gebieden geldende norm?

6. Vindt de provincie Limburg het problematisch dat door het, in de bestaande wet- en regelgeving, ontbreken van een toets op cumulatieve geurhinder, in zwaar belaste gebieden de geurhinder nog steeds kan toenemen. Zo nee, waarom niet?

7. Gaat de provincie in het eigen R.O.-beleid de normering voor cumulatieve geurhinder die Noord-Brabant hanteert overnemen? Zo nee, waarom niet?

Graag beantwoording van deze vragen binnen de daarvoor gestelde termijn.

Namens de Partij voor de Dierenfractie met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin

Antwoorddatum: 13 sep. 2016

Vraag 1.

Hoe gaat de provincie Limburg ervoor zorgen dat er bij de (omgevings-)vergunningverlening aan veehouderijen rekening gehouden wordt met het RIVM/IRAS rapport en de meest recente wetenschappelijke kennis vanuit de GGD-rapportages en onderzoeken?

Antwoord.
Voor ammoniak, fijnstof en geur zijn normen gesteld waarop via vergunningverlening vooral door gemeenten getoetst wordt. Voor de ammoniak emissie gelden er al strengere normen dan landelijk voorgeschreven. Het kabinet spreekt in zijn reactie van een gezamenlijke aanpak van ministeries, andere overheden, de sector en overige betrokkenen. Uit dit traject zal naar verwachting ook naar voren komen of er vanwege gezondheidsrisico’s aanvullende criteria of strengere normen bij de vergunningverlening zullen gaan gelden.

Vraag 2.

Wat gaat de provincie Limburg doen om de gemeente Nederweert, en andere gemeentes, de instrumenten te geven waar zij om vraagt, om de fijn stof uitstoot van bestaande bedrijven, naast die van uitbreidingen, terug te brengen? Welke acties richting de landelijke overheid zullen daarin worden ondernomen, ook tezamen met andere provincies?

Antwoord.
In het kader van het project schone stallen werken wij samen met de zes peelgemeenten, LLTB, Stichting Natuur- en Milieufederatie en de Rabobank om te bezien welke maatregelen er genomen kunnen worden om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren, op basis van de strategische doelstelling “in 2025 is ieder IV bedrijf een lust voor zijn omgeving.” Rond twee gebieden waar een
concentratie van IV bedrijven is gelegen (Ysselsteyn en Nederweert) doen wij dat in de vorm van pilot projecten. De ervaringen die wij daar opdoen worden Limburg breed opgeschaald.

Daarnaast zullen wij de verplichtingen en mogelijkheden van nieuwe wetgeving in deze nauwgezet en kritisch volgen en op basis daarvan ons beleid bepalen.

Vraag 3.
Hoe gaat de provincie Limburg haar ruimtelijke ordeningsbeleid, met name de Ruimtelijke Verordening, aanpassen om een halt toe te roepen aan uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen?


Antwoord.

Ons beleid geeft slechts zeer beperkte ruimte voor nieuwvestiging van intensieve veehouderij en uitsluitend in een selectief aantal gebieden, waarbij er ook nog eens van wordt uitgegaan dat het hierbij hoofdzakelijk over hervestiging – zijnde verplaatsing naar een meer gunstige locatie - en niet om volledige nieuwvestiging zal gaan. Nieuwvestiging van IV bedrijven in de nabijheid van bewoning is
daardoor niet aan de orde. Uitbreiding van bestaande bedrijven is ook niet overal mogelijk en op de plekken waar dat wel mogelijk is, gaat dit gepaard met een vergunningenstelsel. Of het gezondheidsrapport consequenties zal hebben voor het ruimtelijke beleid kan op dit moment nog niet aangegeven worden.

Vraag 4.
Gaat de provincie, in afwachting daarvan, vanuit het voorzorgbeginsel, een voorlopig verbod (moratorium) opleggen op uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderijen?


Antwoord.

Nee voorlopig niet. Wij gaan ervan uit dat de beantwoording van de vragen 2 en 3 dit antwoord voldoende onderbouwt.

Vraag 5.
Geldt in de concentratiegebieden in Limburg een hogere norm voor geurhinder? Zo ja, in welke gebieden, en hoe verhoudt die norm zich tot de in andere gebieden geldende norm?


Antwoord.

In de wet geurhinder en veehouderijen zijn standaardnormen opgenomen voor de geurbelasting. Hierbij gelden voor de concentratiegebieden (geheel Noord- en Midden-Limburg) hogere (minder strenge) normen dan voor de niet-concentratiebieden. Gemeenten hebben de bevoegdheid om een geurverordening op te stellen waarin binnen een bandbreedte afgeweken kan worden van de landelijke geurnormen uit de wet geurhinder en veehouderijen.

Een aantal gemeenten in Noord- en Midden-Limburg heeft een geurverordening opgesteld. In deze geurverordeningen worden zowel hogere als lagere normen gehanteerd. De gemeente kan dus binnen de bandbreedte maatwerk toepassen.

Vraag 6.
Vindt de provincie Limburg het problematisch dat door het, in de bestaande wet- en regelgeving,
ontbreken van een toets op cumulatieve geurhinder, in zwaar belaste gebieden de geurhinder nog steeds
kan toenemen. Zo nee, waarom niet?


Antwoord.

De bestaande wet- en regelgeving biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende normen te stellen via
een geurverordening. Eén van de aspecten die bij het opstellen van een geurverordening meegenomen
moet worden is de huidige en te verwachte geursituatie door veehouderijen (de cumulatieve geurhinder).
Daarnaast loopt momenteel op rijksniveau de evaluatie van de wet geurhinder en veehouderijen waarin
onder andere wordt gekeken naar de hoogte en onderbouwing van de normen in de Wet geurhinder en
veehouderij en de wenselijkheid om bij de vergunningverlening normen te stellen met betrekking tot de
cumulatieve geurhinder. Samen met de gemeenten volgen wij deze ontwikkelingen.

Vraag 7.
Gaat de provincie in het eigen R.O.-beleid de normering voor cumulatieve geurhinder die Noord-Brabant
hanteert overnemen? Zo nee, waarom niet?


Antwoord.

De Provincie Noord-Brabant heeft in de omgevingsverordening regels gesteld aan veehouderijen.
Uitbreidingen van het bouwvlak en de omvang van de bebouwing is alleen mogelijk als dit op
bedrijfsniveau bijdraagt aan verdere verduurzaming door het treffen van bovenwettelijke maatregelen
(score van 7 op basis van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij). Tevens mag de som van het
effect van alle bedrijven in een gebied de draagkracht van een gebied niet ten boven gaan. Hiervoor zijn
normen op gebiedsniveau voor geur (12 en 20% gehinderden) opgenomen.

In het kader van het POL2014 is er niet voor gekozen om als provincie aanvullende normen te stellen aan
(cumulatieve) geurhinder. De nadruk wordt meer gelegd op bedrijfsgerichte maatregelen op basis van de
insteek “ieder bedrijf een lust voor zijn omgeving”. Op gemeentelijk niveau streven wij naar een integrale
benadering van nieuwe initiatieven in het voortraject en het in dialoog met de ondernemer kijken naar een
duurzame ontwikkeling van het bedrijf in zijn omgeving. In het kader van de regionale uitwerking
POL2014 wordt hierbij onder de noemer Schone stallen gewerkt aan afspraken en eventueel nieuwe
instrumenten.

Gemeenten hebben de mogelijkheid om op basis van een lokale afweging de geurnormen aan te passen.
Daarnaast wordt in het kader van de evaluatie van de wet geurhinder en veehouderijen gekeken of het
wenselijk is om eisen aan de cumulatie van geurhinder te stellen. Wij zullen de uitkomsten van deze
evaluatie volgen en op basis daarvan ons beleid bepalen.



Gedeputeerde Staten van Limburg


Standaardnormen en bandbreedte voor afwijkende waarde geurbelasting (ouE/m3)

Ligging Geurgevoelig object: standaardnormbandbreedte
concentratiegebied
binnen bebouwde kom
3,0 0,1 - 14
concentratiegebied
buiten bebouwde kom
14,0 3,0 - 35,0
niet-concentratiegebied
binnen bebouwde kom
2,00,1 - 8,0
niet-concentratiegebied
buiten bebouwde kom
8,0
2,0 - 20,0