Schrif­te­lijke vragen: Eind­rap­portage Pilot Lucht­wassers gemeente Neder­weert


Geacht College,

In de Pilot Luchtwassers van het Regionaal Expertisecentrum Georganiseerde Criminaliteit Limburg (RIEC Limburg) zijn 15 veehouderijbedrijven bezocht, om de aanwezigheid en juiste werking van luchtwassers te controleren.

Uit de samenvatting komt naar voren dat van 40% van de bedrijven het naleefgedrag “slecht” of “matig” was. Dit heeft gevolgen voor de luchtkwaliteit in de omgeving van de bedrijven, en roept vragen op over de uitgangspunten van het luchtkwaliteits- en stikstofbeleid, voor zover dat op een goede werking van de luchtwassers is gebaseerd.

1) Vindt GS bij de luchtwassers een percentage van 40% slecht of matig naleefgedrag aanvaardbaar?

2) Wordt bij het vaststellen van de feitelijke luchtkwaliteit (m.n. fijn stof) en de stikstofemissies in het beleid uitgegaan van een perfecte werking van de luchtwassers?

3) Als het naleefgedrag van de onderzochte bedrijven representatief zou zijn voor de bedrijven in de branche, wat betekent dit dan voor de berekende luchtkwaliteit in de gemeentes Nederweert, Leudal, Peel en Maas en Venray? Kan dan worden uitgesloten dat de feitelijke luchtkwaliteit de geldende normen overschrijdt? En wat zou dit betekenen voor de stikstofemissies waarvan wordt uitgegaan in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)?

4) In de begeleidende brief wordt aangegeven dat de aanbevelingen door de kennisgroep luchtwassers zullen worden opgepakt “voor zover van toepassing”. Dit schept enige onduidelijkheid: welke aanbevelingen zullen door de kennisgroep worden opgepakt, en welke niet?

5) Is GS het eens met het besluit van het bestuur van de RUD Noord Limburg om, ondanks de resultaten van de pilot, aanbeveling 6 van de RIEC-rapportage, t.w. het uitvoeren van een breder onderzoek naar het naleefgedrag in Noord- en Midden Limburg, niet uit te voeren?

Bij 8 van de 15 bedrijven worden niet onmiddellijk maatregelen genomen als het (verplichte) elektronisch registratiesysteem aangeeft dat de vergunning parameters worden overschreden. Voor zover bekend, komt in 2017 subsidie beschikbaar, op basis van cofinanciering, van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu voor een ICT-voorziening voor het op afstand inlezen van de (verplichte) systemen voor elektronische monitoring. Hiermee kan de handhaving op afstand geschieden en bespaard worden op de kosten van bedrijfsbezoeken.

6) Is GS bereid in 2017 de cofinanciering op te brengen zodat de voorziening voor het op afstand inlezen van de elektronische monitoring v/d luchtwassers kan worden gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?

Namens de fractie van de Partij voor de Dieren,

P. Plusquin

Antwoorddatum: 20 dec. 2016

Vraag 1.
Vindt GS bij de luchtwassers een percentage van 40% slecht of matig naleefgedrag aanvaardbaar?

Antwoord
Uiteraard zijn wij ten principale van mening dat vergunningsvoorwaarden nageleefd moeten worden en dat het afwijken van de vergunningsvoorwaarden niet aanvaardbaar is. Onder meer door een gerichte handhaving moeten afwijkingen van de vergunningsvoorwaarden worden geminimaliseerd.

Vraag 2.
Wordt bij het vaststellen van de feitelijke luchtkwaliteit (m.n. fijn stof) en de stikstofemissies in het beleid uitgegaan van een perfecte werking van de luchtwassers?

Antwoord
In het kader van natuur- en milieubeleid zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) maakt het RIVM jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties en deposities van onder andere fijnstof en stikstof. De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen.

Met betrekking tot de emissie uit stallen van veehouderij wordt uitgegaan van het feitelijk gehouden aantal dieren zoals opgegeven in de meitellingen
met een emissiefactor op basis van het stalsysteem waarin deze dieren gehouden worden. De afgelopen jaren is rekening gehouden met het ‘naleefgedrag bij luchtwassers’ (WOt technical report 53 NEMA (2016) Methodology for estimating emissions from agriculture in the Netherlands). Hierbij is uitgegaan van een jaarlijkse verbetering van het naleefgedrag waarbij wordt gerekend met een correctiepercentage dat vanaf 2009 stapsgewijs afneemt van 40% tot
0% in 2016 wanneer alle luchtwassers uitgerust dienen te zijn met elektronische monitoring. Voor het opstellen van de kaarten geldt daarbij dat de modelberekeningen op basis van de berekende emissies nog gevalideerd en zo nodig gecorrigeerd worden aan de hand van meetgegevens

Vraag 3a.
Als het naleefgedrag van de onderzochte bedrijven representatief zou zijn voor de bedrijven in de branche, wat betekent dit dan voor de berekende luchtkwaliteit in de gemeente Nederweert, Leudal, Peel en Maas en Venray?


Antwoord.

Hierover is in algemene zin geen uitspraak te doen. Dan zou bekend moeten zijn per geconstateerde overtreding welk effect deze heeft of kan hebben op de emissies. De geconstateerde overtredingen variëren van administratieve gebreken (ontbreken onderhoudscontract, kalibratie van elektroden) die niet direct van invloed zijn op de werking van de luchtwasser tot technische gebreken (zoals deur drukkamer geopend) die mogelijk wel van invloed kunnen zijn op de emissies. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in de rapportage ook is aangegeven dat “op een enkele
constatering na (bv. open laten deuren luchtwasser) er geen reden om uit te gaan van het willens en wetens willen omzeilen van wet- en regelgeving. Het merendeel van de bedrijven heeft het goed voor elkaar”.

Vraag 3b.
En wat zou dit betekenen voor de stikstofemissies waarvan wordt uitgegaan in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)?


Antwoord.

Als het naleefgedrag slecht is en leidt tot een significant slechtere werking van de luchtwasser dan kan dit tot gevolg hebben dat er feitelijk minder emissiedaling wordt gerealiseerd dan verwacht. Dit kan ertoe leiden dat door een hogere depositie ook minder natuurherstel plaatsvindt dan verwacht.

Vraag 4.
In de begeleidende brief wordt aangegeven dat de aanbevelingen door de kennisgroep luchtwassers zullen worden opgepakt “voor zover van toepassing”. Dit schept enige onduidelijkheid: welke aanbevelingen zullen door de kennisgroep worden opgepakt en welke niet?


Antwoord.

In de rapportage worden 7 aanbevelingen gedaan. Deze worden opgepakt door de diverse partijen: Aanbeveling 1 richt zich op de hercontroles. Deze worden inmiddels door de gemeente uitgevoerd.

Aanbeveling 2 richt zich op opleiding/ voorlichting aan agrariërs over de werking van de luchtwasser. Het project heeft mede als doel de kennis over de werking van luchtwassers te vergroten. In de projectsubsidie is al voorzien in een opleidingstraject. Deze aanbeveling wordt opgepakt. Zoals ook de
aanbevelingen 3, 4 en 5 inzake opstellen sanctieprotocol, bereikbaarheid luchtwassers en opleggen ‘bestuurlijke strafbeschikking milieu’ worden opgepakt.
In de aanbeveling (6) om een breder onderzoek op te starten naar het naleefgedrag rondom luchtwassers wordt door de provincie voorzien door het bestaande traject dat gericht is op de werking van luchtwassers die onder de verordening veehouderij en natura2000 vallen. Net als in 2015 worden in 2016 in dit traject ca. 80 luchtwassers gecontroleerd door gemeenten of provincie. Over de evaluatie van de controles uit 2015 is de Statencommissie voor Ruimte, Landbouw en Natuur middels brief d.d. 7 juni geïnformeerd. De laatste aanbeveling is om op basis van de pilot geen verder onderzoek te doen naar georganiseerde vormen van milieucriminaliteit tussen agrariërs en leveranciers.

Vraag 5
Is GS het eens met het besluit van het bestuur van de RUD Noord-Limburg om, ondanks de resultaten van de pilot, aanbeveling 6 van de RIEC-rapportage, t.w. het uitvoeren van een breder onderzoek naar het naleefgedrag in Noord- en Midden-Limburg, niet uit te voeren?


Antwoord.

De afspraak die is gemaakt in het bestuur van de RUD Limburg-Noord behelst dat het naleefgedrag onderdeel is van de reguliere controles welke door de diverse gemeenten in Noord- en Midden-Limburg alsook de provincie Limburg worden uitgevoerd. Gedeputeerde Staten kunnen met deze afspraak instemmen.

Vraag 6
Is GS bereid in 2017 de cofinanciering in 2017 op te brengen zodat de voorziening voor het op afstand inlezen van de elektronische monitoring van de luchtwassers kan worden gerealiseerd? Zo nee, waarom niet?


Antwoord.

Elektronische monitoring kan een hulpmiddel zijn bij een meer efficiëntere en effectieve controle op de werking van luchtwassers als onderdeel van de handhaving van de vergunningsvoorwaarden in deze. Dat geldt niet alleen voor de handhaving die door de provincie Limburg wordt uitgevoerd. Wij zullen de (landelijke) ontwikkelingen op het gebied van elektronische monitoring nauwgezet volgen en daar waar zich kansen voordoen om de handhaving te verbeteren concrete voorstellen doen.


Gedeputeerde Staten van Limburg


1) De meitelling maakt deel uit van de gecombineerde opgave die door land- en tuinbouwbedrijven ingevuld moet worden en dieonder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet.