Schrif­te­lijke spoed­vragen Plusquin Invangen hoog­zwanger dassen­vrouwtje tegen wette­lijke richtlijn in


Indiendatum: 8 feb. 2021

Geacht college,

Stichting Das & Boom, IVN Roermond e.a. hebben middels een persbericht hun zorgen geuit over het invangen van een hoogzwanger, of reeds bevallen dassenvrouwtje in ‘t Ham bij de televisietoren in Roermond. Risico's zijn een afgebroken zwangerschap door de stress, hulpeloze jongen die verhongeren in de burcht en het niet goed meer kunnen bevallen of verzorgen van de jongen. Deze risico’s zijn bekend uit het Kennisdocument Das van Bij 12. De ingevangen dassen proberen zich nu, blijkens verklaringen van getuigen, wanhopig te bevrijden door het graven van diepe kuilen aan de randen van het geplaatste raster.

Voor het invangen is door GS ontheffing verleend. Deze trieste gang van zaken geeft de Partij voor de Dieren aanleiding tot de volgende vragen:

Vraag 1) Is bij de ambtelijke voorbereiding van de verleende ontheffing (Parkwijk ’t Ham) expliciet aan de orde geweest dat invangen niet zou plaats vinden in geval van een hoogzwanger dier, of direct na de worp? Zo ja, hoe kan het dat deze voorwaarde uiteindelijk niet in de ontheffing is terecht gekomen?

Vraag 2) Zo nee, hoe kan een dergelijke voorwaarde over het hoofd worden gezien?

Vraag 3) Als het niet de bedoeling was om de dieren tijdens deze periode in te vangen: hoe gaat het college voorkomen dat een dergelijke fout zich herhaalt?

Vraag 4) Waarom is deze ontheffing in een zo korte periode (12 dagen) verleend, terwijl een langere periode gebruikelijk is?

Vraag 5) In GS bereid het invangen onmiddellijk te niet te doen, de dieren weer tot de burcht en foerageergebied toe te laten, en gedurende de kwetsbare periode met rust te laten? Zo nee, waarom niet?

Vraag 6) De dassenwerkgroep Roermond heeft in een eerdere fase meegewerkt aan het d.m.v. camera’s observeren van de dassen. Is de werkgroep destijds geïnformeerd dat het uiteindelijke oogmerk was om een ontheffing voor verstoren van de burcht te verlenen?

Vraag 7) In het genoemde gebied leven meer dieren zoals konijnen en kleine marterachtigen. Kan het college aangeven welke maatregelen er zijn genomen om het terrein faunavrij te maken en hoe daarbij aan de zorgplicht voor de dieren is voldaan?

Graag beantwoording van deze vragen, en het in vraag 4 bedoelde handelen, op de kortst mogelijke termijn gezien de urgentie van de kwestie,

Met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin,

Fractievoorzitter Partij voor de Dieren Limburg

Indiendatum: 8 feb. 2021
Antwoorddatum: 3 mrt. 2021

Vraag 1) Is bij de ambtelijke voorbereiding van de verleende ontheffing (Parkwijk ’t Ham) expliciet aan de orde geweest dat invangen niet zou plaats vinden in geval van een hoogzwanger dier, of direct na de worp? Zo ja, hoe kan het dat deze voorwaarde uiteindelijk niet in de ontheffing

is terecht gekomen? Zo nee, hoe kan een dergelijke voorwaarde over het hoofd worden gezien?

Ja, dat is aan de orde geweest. Echter, deskundigen hebben tot het moment van vangen niet kunnen vaststellen of er sprake was van een vrouwtje, laat staan dat een eventueel vrouwtje zwanger zou zijn, noch dat er een nest met jongen in de burcht aanwezig was. Op het moment van de ontheffingverlening, 27 januari 2021, zijn we uitgegaan van twee dassen, waarvan er in ieder geval één mannelijk zou zijn. Het geslacht van de tweede das kon op dat moment nog niet worden vastgesteld.

Vraag 2) Als het niet de bedoeling was om de dieren tijdens deze periode in te vangen: hoe gaat het college voorkomen dat een dergelijke fout zich herhaalt?

Een aanvraag om een ontheffing van de verbodsbepalingen wordt telkens zorgvuldig en op de specifieke omstandigheden beoordeeld. In de brede belangenafwegingen die wij hebben gemaakt bij de dassen in ’t Ham is ervoor gekozen om onder voorwaarden een ontheffing te verlenen. Bij het bepalen van de ontheffingsvoorschriften wordt zo mogelijk rekening gehouden met de kwetsbare periode van voortplanting. In de onderhavige casus werd op basis van het veldonderzoek en het gedrag van de beide dieren geen aanwijzing gevonden voor zwangerschap dan wel een nest met jongen. Op basis daarvan hebben we ervoor gekozen om de dieren te laten vangen en te laten verplaatsen.

Vraag 3) Waarom is deze ontheffing in een zo korte periode (12 dagen) verleend, terwijl een langere periode gebruikelijk is?

Als wij de vraagstelling interpreteren met betrekking tot de ontheffing zelf; die heeft plaatsgevonden in een periode van 12 dagen (aanvraag 15 januari 2021, verlening ontheffing op 27 januari 2021). De onderbouwing en afwegingen hebben grotendeels al in het voortraject plaatsgevonden, vandaar de relatief korte periode tussen aanvraag en ontheffing.

Als u bedoelt; de periode van de ontheffing zelf: de ontheffing is verleend tot 1 december 2021 met een vangtermijn tot 15 februari 2021. In die periode is de eerste das gevangen. Omdat er nog een tweede das zat en de vangtermijn dreigde te verlopen, hebben wij op 12 februari ingestemd met het verlengen van de vangtermijn tot 15 maart 2021. Daarbij is rekening gehouden met andere beschermde soorten in het gebied en het aanstaande broedseizoen van vogels.

Vraag 4) Is GS bereid het invangen onmiddellijk te niet te doen, de dieren weer tot de burcht en foerageergebied toe te laten, en gedurende de kwetsbare periode met rust te laten? Zo nee, waarom niet?

Deze vraag is niet meer relevant omdat alle dassen gevangen zijn en de huidige burcht volledig is ontmanteld. Van het opnieuw toelaten van de dieren tot dit gebied kan geen sprake zijn. Dit is gelet op de ter plaatse geplande woningbouw ook niet wenselijk, omdat de dieren dan later nogmaals gevangen zouden moeten worden. Er wordt nu gezocht naar een geschikte plek om de dieren uit te zetten.

Vraag 5) De dassenwerkgroep Roermond heeft in een eerdere fase meegewerkt aan het d.m.v. camera’s observeren van de dassen. Is de werkgroep destijds geïnformeerd dat het uiteindelijke oogmerk was om een ontheffing voor verstoren van de burcht te verlenen?

De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het benodigde ecologische onderzoek en een compensatieplan en bepaalt zelf wie hij/zij daarbij betrekt. Wij zijn niet op de hoogte van welke informatie door de initiatiefnemer met wie wordt gedeeld.

Vraag 6) In het genoemde gebied leven meer dieren zoals konijnen en kleine marterachtigen. Kan het College aangeven welke maatregelen er zijn genomen om het terrein faunavrij te maken en hoe daarbij aan de zorgplicht voor de dieren is voldaan?

In de Omgevingsverordening Limburg, paragraaf 3.8, is een vrijstelling opgenomen om bij een ruimtelijke ontwikkeling gedurende het hele jaar o.a. konijnen en vossen te vangen en hun verblijfplaatsen te vernielen. De projectontwikkelaar is door ons in de ontheffing gewezen op de zorgplicht in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, maar de Provincie Limburg heeft geen wettelijke grondslag om hieraan verdere eisen te stellen.

Gedeputeerde staten van Limburg

voorzitter

secretaris