Onbe­voegde kaart­wij­ziging 'Goud­groene Natuurzone' en veranderd beleid beheer­sub­sidies


Maastricht, 13 september 2019

Geacht College,

Op 13 augustus jl. heeft GS het Natuurbeheerplan 2020 vastgesteld, gewijzigd na doorlopen van een zienswijze procedure. Parallel heeft GS op 19 augustus een wijziging van de begrenzing Goudgroene natuurzone bekend gemaakt https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2019-5980.html.

1) Bij de kaartwijziging van 19 augustus jl. is, naar de gedeputeerde in de cie RLN van 13 september jl. heeft aangegeven, 373 hectare van de goudgroene zone geschrapt. Volgens de Nota van wijzigingen Natuurbeheerplan, volgnummer 26, gaat het om 439,56 hectare. Wat is het juiste aantal?

2) De kaart van de Goudgroene natuur maakt deel uit van de Omgevingsverordening Limburg. De Omgevingsverordening wordt vastgesteld door Provinciale Staten. Erkent GS dat het vaststellen van de kaart van de Goudgroene natuurzone een bevoegdheid is van Provinciale Staten?

3) Is het besluit tot wijziging van de kaart Goudgroene natuur van 19 augustus jl. aan Provinciale voorgelegd, ter vaststelling?

4) Zo ja, wanneer, en met welk Statenvoorstel? Zo nee, heeft GS de kaartwijziging dan eigenstandig vastgesteld met een beroep op artikel 2.6.6 van de Omgevingsverordening?

5) Artikel 2.6.6 lid 1 sub c stelt als voorwaarde voor een wijziging door GS dat de oppervlakte Goudgroene natuur ten minste gelijk blijft. Echter, het Kaartwijzigingsbesluit van 19 augustus houdt een (significante) verkleining van de oppervlakte in. Heeft GS hiermee gehandeld in strijd met de Omgevingsverordening Limburg? Zo nee, hoe verklaart GS deze discrepantie?

6) Een tweede voorwaarde is (artikel 2.6.6 lid 1) dat GS (eigenstandig) de begrenzing van Goudgroen kan wijzigen “teneinde de ecologische kwaliteit te verbeteren, voor zover de oorspronkelijke kwalitatieve en kwantitatieve ambities van de Goudgroene natuurzone worden behouden of versterkt”.
Hoe kan GS onderbouwen dat, met het afvoeren van ca. 400 hectare van de kaart, aan deze voorwaarde is voldaan?
Kan GS de ecologische onderbouwing bij de beantwoording voegen?

7) In de Nota van wijzigingen Natuurbeheerplan (volgnummer 26, p. 8) is sprake van “diverse kaartwijzigingen in de afgelopen jaren waardoor de oppervlakte areaal uitbreiding natuur is toegenomen”. Op welke kaartwijzigingen wordt hiermee gedoeld? Hoe zijn deze kaartwijzigingen bekend gemaakt? Lag hieraan (telkens), zoals de Omgevingsverordening vereist, een besluit van Provinciale Staten ten grondslag? Zo niet, hoe motiveert GS dat?

8) Voor zover een deel van de in vraag 7 bedoelde kaartwijzigingen compensatienatuur was, hoe kan dan (netto) gesproken worden van een areaaluitbreiding?

9) Het Natuurbeheerplan geeft aan dat SvNL subsidies, als hoofdregel, niet kunnen worden aangevraagd als het terrein is verkregen van een waterleidingmaatschappij of diverse overheidsinstanties (artikel 2.3 lid 1 SvNL). Wat is hiervan de motivering, ook als het wel om natuur gaat met waardevolle beheertypen? Komt hiermee een einde aan de gangbare praktijk dat in natuurontwikkelingsprojecten door derden verworven gronden uiteindelijk aan een terrein beherende organisatie kunnen worden overgedragen, die daarvoor beheersubsidie kan krijgen?

10) Volgens artikel 2.3 lid 2 SvNL kan bij wijze van uitzondering van lid 1 worden afgeweken. Waarom is dat bij het Pio Swentibold, en de bosuitbreiding Sittard Geleen niet gebeurd?

11) Welke criteria hanteert GS voor het toepassen van de (uitzonderings-)bevoegdheid van SvNL art. 2.3 lid 2, en waar zijn deze criteria vastgelegd? Als hiervoor niet in een beleidsregel of anderszins criteria, zijn toegepast, is er dan geen sprake van willekeur?

12) Zijn er volgens het coalitie akkoord voldoende middelen om bestaande beheersubsidies (voor TBO’s) en beheercontracten (Agrarisch natuurbeheer) voort te zetten?

13) Is GS bereid om bij de a.s. Stateninformatie-bijeenkomst Goudgroene Natuur een overzicht te geven van de actuele ambitie areaaluitbreiding natuur, en hoe deze zich vanaf het begin van de vorige coalitieperiode heeft ontwikkeld? En van de thans hiervoor beschikbare financiële middelen?

Wij danken u bij voorbaat voor de tijdige beantwoording van deze vragen, gaarne voorafgaand aan de a.s. Stateninformatiebijeenkomst Goudgroene natuur,

Met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin

Partij voor de Dieren

Antwoorddatum: 14 okt. 2019

1) Bij de kaartwijziging van 19 augustus jl. is, naar de gedeputeerde in de cie RLN van 13 september jl. heeft aangegeven, 373 hectare van de goudgroene zone geschrapt. Volgens de Nota van wijzigingen Natuurbeheerplan, volgnummer 26, gaat het om 439,56 hectare. Wat is het juiste aantal?

In het Natuurbeheerplan 2020, dat op 19 augustus jl. is vastgesteld, is 474 hectare areaaluitbreidinggoudgroene natuur geschrapt. De aangehaalde 439,56 hectare zijn hiervan onderdeel. Echter, er is ook101 hectare areaaluitbreiding goudgroene natuur toegevoegd. Per saldo is er dus 373 hectareareaaluitbreiding goudgroene natuur geschrapt.

2) De kaart van de Goudgroene natuur maakt deel uit van de Omgevingsverordening Limburg. De Omgevingsverordening wordt vastgesteld door Provinciale Staten. Erkent GS dat het vaststellen van de kaart van de Goudgroene natuurzone een bevoegdheid is van Provinciale Staten?

(Zie antwoord op vraag 5)

3) Is het besluit tot wijziging van de kaart Goudgroene natuur van 19 augustus jl. aan Provinciale voorgelegd, ter vaststelling?

(Zie antwoord op vraag 5)

4) Zo ja, wanneer, en met welk Statenvoorstel? Zo nee, heeft GS de kaartwijziging dan eigenstandig vastgesteld met een beroep op artikel 2.6.6 van de Omgevingsverordening?

(Zie antwoord op vraag 5)

5) Artikel 2.6.6 lid 1 sub c stelt als voorwaarde voor een wijziging door GS dat de oppervlakte Goudgroene natuur ten minste gelijk blijft. Echter, het Kaartwijzigingsbesluit van 19 augustus houdt een (significante) verkleining van de oppervlakte in. Heeft GS hiermee gehandeld in strijd met de Omgevingsverordening Limburg? Zo nee, hoe verklaart GS deze discrepantie?

Antwoord 2, 3, 4 en 5
Het vaststellen van de Goudgroene zone is primair een bevoegdheid van Provinciale Staten. Voor eenaantal situaties is deze bevoegdheid van Provinciale Staten overgedragen aan Gedeputeerde Staten,waaronder het wijzigen van de begrenzing van de Goudgroene zone. Dit kan op basis van de artikelen2.1.2, derde lid, 2.13.3 en 2.6.6. van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Op basis van hiervanhebben wij het besluit tot wijziging van de Goudgroene zone op 19 augustus jl. (Provinciaal Blad

Nr. 5980) vastgesteld. Die wijzigingen hebben onder meer plaatsgevonden vanwege een duidelijkecologische reden (2.6.6 lid 1). De toelichting bij artikel 2.6.6. geeft aan dat het initiatief voor aanpassingvan de begrenzing een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten is en gekoppeld is aan de procedure vande (partiële) wijziging van het Provinciaal natuurbeheerplan.

Voor het Natuurnetwerk Nederland is met het Rijk afgesproken dat het Limburgse deel planologischbegrensd wordt en dat daarvoor een inspanningsverplichting geldt van 2600 hectare nieuwe natuur. Dit isde zogenaamde ontwikkelopgave. De regels in de Omgevingsverordening Limburg 2014 zien toe op dituitgangspunt en zijn dus gericht op de verwezenlijking van dit aantal hectares. Anders geformuleerd, bijwijzigingen van de kaart mag het totaal volume niet kleiner worden dan 2600. In de voorbije jaren hebbentoevoegingen plaatsgevonden, zonder dat hiervoor elders hectares zijn geschrapt. Hierdoor is het aantalhectares op kaart ver boven de beoogde 2600 komen te liggen. Met het schrappen van een deel van deboventallige hectares blijven wij binnen hetgeen in artikel 2.6.6. van de Omgevingsverordening Limburg2014 wordt beoogd. Immers, wij handelen hiermee binnen de kaders van de Natuurvisie en denatuuropgave, waarin door Provinciale Staten is vastgesteld zich te committeren aan 2600 hectareontwikkelopgave. Een hogere ambitie is niet vastgesteld.

6) Een tweede voorwaarde is (artikel 2.6.6 lid 1) dat GS (eigenstandig) de begrenzing van Goudgroen kan wijzigen “teneinde de ecologische kwaliteit te verbeteren, voor zover de oorspronkelijke kwalitatieve en kwantitatieve ambities van de Goudgroene natuurzone worden behouden of versterkt”.
Hoe kan GS onderbouwen dat, met het afvoeren van ca. 400 hectare van de kaart, aan deze voorwaarde is voldaan?
Kan GS de ecologische onderbouwing bij de beantwoording voegen?

De hectares zijn geselecteerd op basis van een ecologische analyse die in meerdere gebiedssessies perNatura 2000 gebied is uitgevoerd door een team van provinciale ecologische deskundigen.

De ecologische beoordeling is uitgevoerd op de nog te verwerven en in te richten percelen die zijngelegen binnen de goudgroene natuurzone (ontwikkelopgave).
De beoordeling is op grond van de volgende criteria uitgevoerd:

  • perceel is gelegen binnen de begrenzing of direct aansluitend aan een Natura 2000 gebied;

  • er is een directe hydrologische en/of ecologische ondersteunende (bufferende werking) offunctionele relatie (zoals inzijggebied voor grondwaterafhankelijke vegetaties, erosiegevoelig doorrun-off) aanwezig met het nabij gelegen Natura 2000 gebied;

  • er zijn goede mogelijkheden om de gronden in te richten voor kwalitatief hoogwaardige natuur (zoalsschrale graslanden of vochtige hooilanden). (Dit criterium is niet toegepast voor gronden met alleeneen ondersteunende relatie voor het nabij gelegen Natura 2000 gebied);

  • het perceel is actueel of potentieel leefgebied voor tenminste één van de prioritaire soorten uit deNatuurvisie 2016 en de soorten die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitatrichtlijn(bijlage II). De gronden dienen ook ten behoeve van deze soorten ingericht te worden.

De percelen die niet aan deze criteria voldeden en afvielen zijn vervolgens omgezet van de goudgroenenatuurzone naar de zilvergroene natuurzone. Ook zijn percelen, waarbij het ging om huiskavel, erf, straate.d. en dus geen vorm van ecologisch waarde hadden, geschrapt als goudgroen.

Zoals ook reeds bij de vorige vraag is toegelicht is de oppervlakte op de kaart meer dan voldoende omaan de beleidsambitie van 2600 hectare te kunnen voldoen. In dit verband is tevens relevant om tevermelden dat in de provincie Limburg 25.380 hectare natuur en landschapselementen aanwezig isbuiten de goudgroene zone. Bij het vaststellen van de ontwikkelopgave in de natuurvisie was geenrekening gehouden met deze extra hectares.

7) In de Nota van wijzigingen Natuurbeheerplan (volgnummer 26, p. 8)
is sprake van “diverse kaartwijzigingen in de afgelopen jaren waardoor
de oppervlakte areaal uitbreiding natuur is toegenomen”. Op welke
kaartwijzigingen wordt hiermee gedoeld? Hoe zijn deze kaartwijzigingen
bekend gemaakt? Lag hieraan (telkens), zoals de Omgevingsverordening
vereist, een besluit van Provinciale Staten ten grondslag? Zo niet, hoe
motiveert GS dat?

Ieder jaar wordt het Natuurbeheerplan ambtshalve en op verzoek van derden bijgesteld. De inhoud en deplanning worden landelijk afgestemd met de andere provincies. Dit om eenvormigheid voor deterreinbeherende organisaties te bevorderen en landelijke toetsing door Rijksdienst Voor OndernemendNederland (RVO) mogelijk te maken. RVO voert voor Limburg alleen het agrarische natuurbeheer uit datvia POP3 verloopt uit.

Zowel door de planvorming en projectuitvoering van de provincie als door de projecten/activiteiten vanexterne partijen kan het nodig zijn om het Natuurbeheerplan en de bijbehorende kaarten aan te passen.Daarnaast wordt regelmatig geconstateerd dat de weergave op de kaart niet exact gelijk is aan de situatiein het veld. Dit vraagt om aanpassingen in het natuurbeheerplan zodat subsidieaanvragen correct kunnenworden afgehandeld.

Onder andere in de procedure van 2018 zijn vanwege diverse interne en externe projecten een grootaantal percelen toegevoegd aan de oppervlakte areaaluitbreiding. Provinciale Staten is hierover ingelichtmet een informerend stuk op 10 oktober 2017 (kenmerk 2017/70086). Vervolgens zijn de wijzigingen in2018 in de procedure van het Natuurbeheerplan door GS geëffectueerd met gebruikmaking van debevoegdheid zoals beschreven bij de beantwoording van vragen 2 tot en met 5. Het betrof in totaal eentoevoeging van 270 hectares.
De wijzigingen zijn op de gebruikelijke manier via de algemene openbare voorbereidingsprocedure(Algemene Wet Bestuursrecht) bekend gemaakt en gepubliceerd op de website en in het provincialeblad.

8) Voor zover een deel van de in vraag 7 bedoelde kaartwijzigingen compensatienatuur was, hoe kan dan (netto) gesproken worden van een areaaluitbreiding?

De kaartwijzigingen waren in beperkte mate het gevolg van compensatienatuur. Dit betrofgecompenseerde hectares voor de Buitenring Parkstad Limburg waar meer natuur gecompenseerd isdan door de ingreep verloren is gegaan (bovenwettelijke compensatie). Verder gaat het om projectenvoor gebiedsontwikkeling op locaties die oorspronkelijk niet waren voorzien als locatie voorareaaluitbreiding. Indien deze locaties zijn beoordeeld als voldoende waardevol voor areaaluitbreidingzijn deze gronden toegevoegd aan de kaart met de wijzigingen in 2018. Ter correctie hiervan zijn in 2019gronden van de kaart verwijderd om zo de opgave op de kaart in balans te houden met de eerderaangehaalde inspanningsverplichting.

9) Het Natuurbeheerplan geeft aan dat SvNL subsidies, als hoofdregel, niet kunnen worden aangevraagd als het terrein is verkregen van een waterleidingmaatschappij of diverse overheidsinstanties (artikel 2.3 lid 1 SvNL). Wat is hiervan de motivering, ook als het wel om natuur gaat met waardevolle beheertypen? Komt hiermee een einde aan de gangbare praktijk dat in natuurontwikkelingsprojecten door derden verworven gronden uiteindelijk aan een terrein beherende organisatie kunnen worden overgedragen, die daarvoor beheersubsidie kan krijgen?

Als hoofdregel geldt in het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer dat aan mede-overheden geensubsidie wordt verleend voor het beheren van natuur in haar bezit, tenzij het gaat om continuering vaneen lopende beheersubsidie uit het verleden. De achterliggende gedachte is dat iedere overheid eenbijdrage behoort te leveren aan de doelstellingen op het gebied van natuur. Dat is ook de reden dat hetals hoofdregel niet mogelijk is om beheersubsidie te verkrijgen als de grond van een overheid isverkregen. Was deze regel niet opgenomen dan zou het voor andere partijen interessant zijn om allenatuurgronden van gemeenten over te nemen en te gaan beheren in plaats van dat de overheid haarverantwoordelijkheid neemt.

Het tweede deel van de vraag wordt beantwoord bij vraag 11.

10) Volgens artikel 2.3 lid 2 SvNL kan bij wijze van uitzondering van lid 1 worden afgeweken. Waarom is dat bij het Pio Swentibold, en de bosuitbreiding Sittard Geleen niet gebeurd?

Het gaat om twee verschillende situaties. Bij de aangehaalde bosuitbreiding gaat het niet om eensubsidie in het kader van de SNL. Het betreft een provinciale subsidie uit 2011 voor mensgerichte natuurbuiten de goudgroene natuurzone. Buiten de goudgroene natuurzone kan beheer niet via de SVNLworden gesubsidieerd.

De gronden binnen de bosuitbreiding Absbroekbos en die eerder door Bureau Beheer Landbouwgrondenzijn verworven en overgedragen aan Natuurmonumenten zijn wel onderdeel van de goudgroenenatuurzone en dus ook subsidiabel gesteld.

11) Welke criteria hanteert GS voor het toepassen van de (uitzonderings-)bevoegdheid van SvNL art. 2.3 lid 2, en waar zijn deze criteria vastgelegd? Als hiervoor niet in een beleidsregel of anderszins criteria, zijn toegepast, is er dan geen sprake van willekeur?

In het Natuurbeheerplan is in paragraaf 7.2 onder het kopje ‘ Geen openstelling op overheidsgronden’een nadere uitwerking opgenomen van de uitzonderingsbevoegdheid die in artikel 2.3 lid 2 van de SvNLis opgenomen.

Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt als:

  1. Gronden in eigendom van een gemeente (of samenwerkingsverband) waarop al een SvNL subsidie

    voor natuurbeheer van kracht is, of

  2. Als de van een mede-overheid verkregen grond gelegen is in areaaluitbreiding goudgroene natuurzone met de code C of Ca. Op die grond dient een kwalitatieve verplichting te zijn gevestigdwaarin het te realiseren natuurbeheertype is geborgd en de nieuwe eigenaar of erfpachter van degrond behoort tot de doelgroep van de SvNL.

De gronden onder a zijn daarom niet opgenomen op de kaart ‘niet subsidiabele terreinen’. De grondendie aan de criteria onder b voldoen worden van de kaart ‘niet subsidiabele terreinen’ afgehaald bij deeerstvolgende wijziging van het Natuurbeheerplan.

Aangezien voor deze uitzonderingen criteria in het Natuurbeheerplan zijn vastgesteld is er geen sprakevan willekeur.

12) Zijn er volgens het coalitie akkoord voldoende middelen om bestaande beheersubsidies (voor TBO’s) en beheercontracten (Agrarisch natuurbeheer) voort te zetten?

Voor de reeds toegekende beheersubsidies op grond van de SvNL (zowel natuurbeheer als agrarischnatuurbeheer) zijn voor de looptijd van de overeenkomsten voldoende middelen beschikbaar.

13) Is GS bereid om bij de a.s. Stateninformatie-bijeenkomst Goudgroene Natuur een overzicht te geven van de actuele ambitie areaaluitbreiding natuur, en hoe deze zich vanaf het begin van de vorige coalitieperiode heeft ontwikkeld? En van de thans hiervoor beschikbare financiële middelen?

Ja, dat inzicht zullen wij bij de presentatie geven.

Gedeputeerde Staten van Limburg

voorzitter

secretaris