Toelichting Moties 30-09


2 oktober 2016

Voorzitter,

De PvDD dient vandaag twee moties in over de volksgezondheidsrisico’s van de intensieve veehouderij: een vanwege het teleurstellende antwoord op vragen die, al enkele maanden geleden , door meerdere fracties zijn gesteld. En een vanwege een zeer recente politieke ontwikkeling in een collega provincie (Gelderland).

Na de publicatie van het RIVM-rapport Veehouderij, Gezondheid en Omwonenden, heeft de Staatssecretaris besloten dat het tijd is voor acties (daarover gaat de tweede motie). Ook door verschillende collega fracties zijn er vragen gesteld. Het antwoord van GS is eenvoudig samen te vatten: het bestaande beleid is goed, we gaan er niets aan veranderen.

Er wordt niet ingegaan op de vraag: wat betekenen de actuele wetenschappelijke inzichten voor het beleid. Moet dit niet worden aangepast? Want het RIVM was het niet het eerste rapport, eerder was er al de Gezondheidsraad. En het advies van de GGD’s om een minimum afstand van 250 meter aan te houden tot woonbebouwing. We zijn al jaren bezig.

Natuurlijk, we kunnen onderzoek blijven doen tot we ons wegen. En ieder onderzoek levert weer nuances en onzekerheden, en redenen voor – zoals dat zo mooi het – “vervolgonderzoek”. Maar de tendens is overduidelijk: je kan maar beter niet in de buurt van grote veehouderijen wonen, zeker niet als daar concentraties van zijn.

Moeten we dan wachten totdat achteraf blijkt dat er mensen aan onaanvaardbare risico’s zijn bloot gesteld? Zoals in het schokkende geval van de geitenhouderij in Ransdaal, de Zembla uitzending van afgelopen woensdag, in onze eigen provincie? Daar was een arts van de Limburgse GGD aan het woord die zei: dát er een nieuwe uitbraak van zoonosen komt is 100% zeker. Alleen niet welke en wanneer. Moeten we daar dan op wachten?

De Partij voor de Dieren vindt van niet. Je moet je beleid tegen het licht houden, als er nieuwe inzichten zijn. Ook als je als provincie niet alles in de hand hebt, moet je kijken wat je wel kan doen. Niet afschuiven. En met volksgezondheid neem je geen risico’s, daar ga je uit van het voorzorgprincipe. Handelen, ook als je nog geen 100 procent zekerheid hebt.

Een collega provincie (iets ten noordwesten van ons) heeft dat gedaan. In de ruimtelijke verordening worden eisen gesteld aan nieuwe bedrijven en uitbreidingen. Er wordt bij geuroverlast niet alleen gekeken naar het bedrijf zelf, maar ook naar de totale overlast in de omgeving.

De motie “Volksgezondheidsrisico’s intensieve veehouderij” vraagt erom het bestaande provinciale beleid tegen het licht te houden. Om onze eigen, provinciale verantwoordelijkheid te nemen. Kunnen we nieuwvestiging en uitbreiding blijven toestaan, zonder daar eisen aan te stellen, die met onze eigen lokale situatie rekening houden? Zijn de ontwikkelingsgebieden, die in het verleden zijn aangewezen, nog steeds de plekken waar je uitbreidingen wil toestaan? Hoe kunnen we bij geurhinder zorgen dat die in gebieden niet steeds verder oploopt?

En dan de tweede motie.

Aanleiding daarvoor is dat er momenteel in Den Haag een nieuwe wet wordt voorbereid - de Wet Dieraantallen en Volksgezondheid – mede als reactie op het RIVM rapport. In de Staten van collega provincie Gelderland is daar jl. woensdag over gesproken. GS had een brief gestuurd, waaruit bleek dat de provincie in Den Haag lobby’t tegen de insteek van de wet. Die insteek is: je moet als

provincie, waar nodig, een instrument hebben om dieraantallen op bepaalde locaties te kunnen beperken. Vanwege de volksgezondheid.

De wet zegt niet: dat is de enige manier. Andere stalsystemen en emissiebeperking hebben hun rol te spelen. Maar dat is niet altijd voldoende. Bestrijding van ziektekiemen is niet hetzelfde als vermindering van ammoniak en fijn stof emissies. In de beleidsreactie van het kabinet (brief van 7 juli jl. aan de TK0 staat dat provincies ook moeten kunnen sturen om te sturen op dieraantallen. Zeker bij concentraties van bedrijven.

In de Gelderse Staten was er kritiek op de insteek van GS, in de lobby naar Den Haag, namelijk dat het reguleren via dieraantallen uitgesloten moest zijn. Dat is ook de insteek, volgens signalen die ons bereiken (een bron bij het Ministerie), van de Limburgse inzet in Den Haag. De Partij voor de Dieren vindt: je mag als provincie, als het gaat om volksgezondheid, op voorhand geen instrumenten uitsluiten. Dat is waarom we het er hier over moeten hebben.

Uiteindelijk is er in Gelderland een motie aangenomen, gericht op een actieve en constructieve benadering van de wet, waarvan wij het dictum in onze motie hebben overgenomen.

Wij vinden dat Limburg hier niet in kan achter blijven. Als provincies kun je beter samen optrekken. En je mag, als het om volksgezondheid gaat, nooit je handen op je rug binden. Daar gaat het in deze motie om.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer