Inbreng Verordening natuur PS 31 maart 2017

Voorzitter,

Ik wil me vooral richten op het toelichten van de amendementen die we indienen.

Maar eerst een woord van waardering voor de punten die van ons zijn overgenomen, vooral ons voorstel om voor de vrijgestelde soorten te komen met een handelingsprotocol.  Zodat initiatiefnemers van bouwprojecten weten waar ze, in het kader van de zorgplicht, aan toe zijn. En welke preventieve maatregelen ze in acht moeten nemen. Het is een goede zaak om dat ook in IPO-verband te doen, en wij hebben begrepen van de gedeputeerde dat dit ook de bedoeling is.

Dan het vuurwerk. U hoeft wat dit betreft van ons vandaag geen vuurwerk te verwachten. We waren van plan om hierover een amendement in te dienen, voor vaste veiligheidsafstanden tot Natura 2000 gebieden. Maar, na de toezeggingen van dhr. Mackus in de Cie, en recent de brief van dhr. Teunissen, dat er in ieder geval gezorgd gaat worden voor een goede afstemming met de natuurwetgeving - nu houden wij, om in de beeldspraak te blijven, ons (bus-)kruit droog. Wel willen we graag verder geïnformeerd worden over het a.s. IPO-kennisdocument, en hoe de provincie Limburg dit gaat oppakken.

 Tot zover de toelichting van de niet ingediende amendementen.

AMENDEMENT ivm BURGERINITIATIEF

En dan nu de amendementen die wij wel hebben ingediend, vooral ook om recht te doen aan het door de Staten vorig jaar mei aanvaarde burgerinitiatief (Stop de Hobbyjacht) en de motie 755. GS zegt nu dat dit in de verordening verwerkt is via artikel 3.6.5, Eisen aan een faunabeheerplan inzake jacht. Het mag duidelijk zijn dat de gekozen formuleringen onvoldoende zijn om het burgerinitiatief en de motie in de verordening te verwerken, en ook niet de geest daarvan. Maar wat dan wel?

Na de uitgebreide behandeling in de Cie van 18 november vorig jaar, met de beide juridische deskundigen, zijn wij op zoek gegaan naar in ieder geval juridisch houdbare formuleringen. Die zoveel mogelijk recht doen aan inhoud en geest van het  burgerinitiatief en de motie. 

Dan blijkt dat in de Verordening van Zuid-Holland, aangenomen in december vorig jaar, een paar artikelen staan die we zo kunnen overnemen. Die artikelen zijn voorgesteld door het College van GS zelf, bestaande uit VVD, CDA, D’66 en SP. Een brede coalitie. Dit voorstel zou dan ook moeten kunnen rekenen op brede steun in deze Staten.

Het gaat daarin om eisen aan het faunabeheerplan. Dat duidelijk wordt gemaakt hoe jacht, populatiebeheer en schadebestrijding op elkaar zijn afgestemd. Zodat het totale afschot in ieder geval in de hand wordt gehouden, en door die afstemming de staat van instandhouding niet in gevaar komt.  Verder is het amendement een uitwerking, via een “escalatieladder”, van het principe “preventie staat voorop” waar motie 755 om vroeg.

REACTIE OP JAGERSVERENIGING 

Wat betreft de inbreng van de Jagersvereniging: die schept allerlei misverstanden. Bijvoorbeeld over de juridische haalbaarheid. Maar wie moeten we geloven: een belangenvereniging of de juristen van de provincie Zuid-Holland, zou ik zeggen. ..?!  Ik zal ook de staatssecretaris er bij halen.

Het amendement vraagt ten eerste een beschrijving van de samenhang van jacht, schadebestrijding en populatiebeheer. Dat is juridische taal voor afstemming, en dat is precies wat de Staatssecretaris heeft geformuleerd als een nieuw doel van de wet. Ik citeer de Memorie van Antwoord voor de Eerste Kamer, de Staatssecretaris: 

“Een nieuw element in het wetsvoorstel is dat de jachthouder bij het bepalen welke inspanningen nodig zijn om in zijn jachtveld een redelijke wildstand te handhaven of te bereiken, het onderdeel van het door gedeputeerde staten goedgekeurde faunabeheerplan in acht moet nemen dat betrekking heeft op de uitoefening van de jacht (…) Daarmee is verzekerd dat zijn inspanningen zijn afgestemd op andere inspanningen in de regio, te weten de uitoefening van de jacht op andere jachtvelden, de schadebestrijding door grondeigenaren en het populatiebeheer door faunabeheereenheden.” Einde citaat.

Zo hoor je het ook eens van een ander,  zou ik zeggen.

Tweede misverstand: anders dan de Jagersvereniging suggereert gaat het amendement “Afstemming, Toetsing en preventie” niet alleen over de wildsoorten in het faunabeheerplan. Het gaat over het hele faunabeheerplan. Dat blijkt uit de kop van het artikel: “Algemene eisen aan het faunabeheerplan”. De toetsing op de staat van instandhouding, het tweede onderdeel van het amendement, geldt dan ook voor alle soorten die wettelijk beschermd zijn. De provincie doet dat al dagelijks, bij alle vergunningen voor de Wet natuurbescherming

En dan het derde onderdeel, de escalatieladder: eerst preventie, en alleen afschot als het niet anders kan. Ook die is bedoeld voor alle soorten, in lijn met het dictum van motie 755, aangenomen bij de behandeling van het burgerinitiatief. Dat was het gevoelen van de Staten indertijd, om het maar zo uit te drukken. In een andere motie is toen gevraagd om een pilot met een afschotvrij gebied, en ook dat sloeg op alle soorten.

AMENDEMENT JAARVERSLAG Faunabeheereenheid

Dit amendement vult een leemte op die er nu is in het Statenvoorstel. Namelijk wat betreft het jaarverslag dat de faunabeheereenheid – wettelijk verplicht – uit moet brengen. Andere provincies, zoals de provincie Noord-Holland (maar die niet alleen) maken wel duidelijk wat in dat jaarlijks verslag moet staan, en niet voor niets. Want het kan niet zo zijn dat we het faunabeheer, en de effectiviteit en uitvoering daarvan, eens per 6 jaar vastleggen in een faunabeheerplan en dan verder als provincie (college én Staten) onze handen ervan aftrekken.  

Het jaarverslag van de faunabeheereenheid is hét aangewezen document om tussentijds bij te kunnen sturen. Maar dan moet de benodigde informatie er wel zijn. Over de uitwerking van de verleende ontheffingen en vrijstellingen, in het licht van populatietrends en (vanwege motie 755) de toepassing van preventieve maatregelen en alternatieve middelen. Vandaar dit amendement, waarvoor we dus in dit geval leentjebuur hebben gespeeld bij de provincie Noord-Holland1. 

Het mag duidelijk zijn dat de Partij voor de Dieren meer zou willen, vooral als het gaat om beperkingen van de jacht, maar daar zitten dan toch voor de provincie bepaalde juridische haken en ogen aan. Dat is in de cie naar voren gekomen. Wat wij nu voorstellen in de amendementen zien wij wel als een verbetering, in de geest van burgerinitiatief en motie. Het lijkt me dan ook dat dit amendement  ook in deze Staten op brede steun moet kunnen rekenen. 

Dan het amendement Onafhankelijke voorzitter. Wij hebben daarvoor in de overwegingen een duidelijke onderbouwing gegeven. We zien dit als een regeling voor de toekomst, die met name ook “comfort” moet geven aan de maatschappelijke organisaties die er in een zware minderheidspositie

in gaan zitten. Het amendement is niet bedoeld als een oordeel over de huidige voorzitter - laat dat misverstand niet bestaan. En, het wordt bijna eentonig, ook dit is een regeling die in andere provinciale verordeningen is terug te vinden.

En dan last, but not least: het sluitstuk van iedere wettelijke regeling is de handhaving. De provincie heeft meer verantwoordelijkheden gekregen met de nieuwe wet en deze verordening, met name voor de soortenbescherming. Maar is de handhavingscapaciteit daaraan wel aangepast? Het lijkt er niet op. Zojuist hebben wij schriftelijke vragen gesteld over de toenemende schending van dassenburchten, n.a.v. een onderzoek van Das en Boom. Eergisteren kwam bij ons nog een melding binnen van het volstorten met gier van een dassenburcht bij Nuth. Das en Boom heeft aangekondigd camera’s bij burchten te zetten. Als daar nieuwe meldingen uit voorkomen, is er dan wel de capaciteit om daarop te handelen?” Graag een reactie van de gedeputeerde.

Pascale Plusquin, Partij voor de Dieren