Inbreng Staten verga­dering


27 september 2007


Bij agendapunt: LIOF interpellatiedebat, 2e termijn.

Voorzitter,

Medewerkers van het LIOF moeten inkomsten uit commissariaten overdragen aan het LIOF, maar voor de directeur geldt dat niet.
Collega Schroër van GroenLinks citeerde een Romeinse spreuk: Quod licet Jovi, non licet bovi (Wat toegestaan is aan Jupiter, is niet toegestaan aan een rund – red.). Daar wil ik nog aan toevoegen dat het duidelijk is dat de rol van oppergod Jupiter in deze vervuld wordt door de heer Verhagen. En de runderen, meneer de voorzitter, dat zijn wij allen. Wij, gewone stervelingen voor wie de regels wel gelden.
En om u allen aan het eind van deze avond met een gevoel van diepe literaire bevrediging het weekend in laten gaan, wil ik in mijn bijdrage nog een citaat geven. Het is afkomstig uit het onvolprezen boek Animal Farm van George Orwell.

All animals are equal, but some animals are more equal than others.

Gedeputeerde Vrehen heb ik veel horen zeggen, maar weinig wat ik niet eerder in de krant las.

Maar hij zegt ook iets nieuws. Hij zegt dat de constructie waarvoor gekozen is geen schoonheidsprijs verdient. Ik vertaal dat in: het is een gedrochtelijke constructie.

Ik hoor nog meer.

Ik hoor gedeputeerde Vrehen ook zeggen dat GS eigenlijk niet in kunnen grijpen in het arbeidscontract. Maar in dezelfde zin zegt hij dat een ingreep alleen zou kunnen via draconische maatregelen.

Voorzitter, misschien zijn draconische maatregelen wel nodig om een gedrochtelijke constructie te bestrijden. Mijn concrete vraag is nu: kan het college mij iets meer vertellen over welke maatregelen, al of niet draconisch, er precies genomen kunnen worden door het college?


Bij agendapunt: Behandeling coalitieakkoord CDA-PvdA-PNL, 1e termijn.

Voorzitter,

Anderhalve week geleden, op Prinsjesdag, liet het college van GS een persbericht uitgaan, waarin het haar teleurstelling uitsprak over het feit dat de overheid niet meer macht bij de provincie liet. Voorzitter, als ik het coalitieakkoord lees, dank ik de hemel op mijn blote knieën dat dit college niet meer macht krijgt.

Dat vraagt om uitleg.

Als het gaat om duurzaamheid of dierenwelzijn kent dit college geen enkele ambitie. Zeker, de fabricage van zonnepanelen in Limburg wordt toegejuicht. Terecht. Maar dat heeft niets te maken met duurzaamheid, maar alles met werkgelegenheid. Een belangrijke factor, dat vindt ook de Partij voor de Dieren, maar onvoldoende om te kunnen zeggen dat duurzame ontwikkeling en innovatie speerpunten zijn. Integendeel. Want als het gaat om toepassing van de zonnepanelen, toont ons provinciebestuur weinig ambitie. De zonnepanelen gaan naar het buitenland. Provinciale daken worden er niet mee bekleed.

Als het gaat om biologische landbouw, waar de provincie echt een belangrijke sturende rol kan spelen, schittert de provincie door afwezigheid. Sterker nog, in een van haar uitingen zegt de provincie expliciet dat biologische landbouw al enkele jaren geen speerpunt meer is. Wat wel een speerpunt is, is het stimuleren van de bio-industrie. Met in totaal een bedrag van bijna een miljard euro in de periode 2004 – 2015 worden de kosten van het verplaatsen van de bio-industrie bekostigd. Een miljard euro belastinggeld gaat naar de varkensflats met tienduizenden varkens en vele honderdduizenden kippen. De enige troost is dat dat miljard niet alleen door Limburgse burgers wordt opgebracht, maar dat ook Nederlandse en Europese burgers mogen meebetalen aan de bio-industriesubsidies, omdat er ook geld van het Rijk en Europa naar toe gaat.

In een zin samengevat: de provincie zet alles op alles om kleine boeren, die met respect voor dier en milieu hun producten op de markt willen zetten, weg te laten concurreren door de mega-ondernemers met hun varkensflats. De varkensflats worden met ruim een miljard euro aan provinciaal geld, rijksgeld en Europees geld gesubsidieerd, de kleine boeren moeten het zelf maar zien te rooien.

Voorzitter, ons gewaardeerde college heeft een coalitieakkoord gepresenteerd, waaruit de tijdgeest zorgvuldig is geëlimineerd. Dierenwelzijn is in toenemende mate een onderwerp van maatschappelijke zorg. Dat is het geval in Limburg, dat is het geval in Nederland, dat is het geval in Europa. Dierenwelzijn speelt een rol in ons nationale regeerakkoord, dierenwelzijn speelt een steeds grotere rol in de besluiten van het Europees Parlemement en de Europese commissie. Dierenwelzijn speelt een steeds belangrijke rol in gemeentes. Kijk bijvoorbeeld naar de gemeente Brunssum, die verschillende initiatieven op dierenwelzijnsgebied gaat ontplooien. Maar deze coalitie en dit college zijn oost-indisch doof voor de maatschappelijke roep om dierenwelzijn ook een rol te laten spelen in besluitvorming. Let wel, niet de enige rol, maar één van de rollen.

Het staat niet in het coalitieakkoord, maar is het wel actueel en daarom wil ik het niet onvermeld laten. De provincie spreekt met jagers om de vermeende zwijnenoverlast in de provincie te bestrijden met de kogel en nu blijkt dat de jagers zelf de zwijnen hebben losgelaten, om zodoende het probleem te creëren dat zij alleen kunnen oplossen met de oh zo bevredigende zwijnenjacht. Hier blijkt de provincie zich te laten gebruiken door de jachtlobby.

Voorzitter, ik ga afronden. Uit dit coalitieakkoord blijkt dat het college niet geeft om dierenwelzijn en dat duurzaamheid en milieu slechts een rol spelen als daarmee de werkgelegenheid gediend is. Biologisch boeren wordt niet gestimuleerd, innovatie wordt gekoppeld aan varkensflats.
Voorzitter, dit coalitieakkoord toont aan dat het ondenkbare inmiddels bewaarheid lijkt te zijn geworden, namelijk dat de vele tientallen miljoenen dieren in de bio-industrie, en de dieren in het veld beter af zijn bij de rijksoverheid of bij Europa dan bij de provincie. Zo´n provinciebestuur, geachte voorzitter, verdient het kort te worden gehouden. Alle verongelijkte persberichten ten spijt.


Bij agendapunt: Behandeling coalitieakkoord CDA-PvdA-PNL, 2e termijn.

Voorzitter, ik wil mijn tweede termijn beginnen met de mededeling dat ik geen complimentjes ga uitdelen, want het is inmiddels in mij duidelijk geworden dat dat doorgaans tot weinig goeds leidt.

Voorzitter, ik wil graag reageren op gedeputeerde Driessen, die in reactie op mijn eerste termijn stelt dat er wel degelijk biologische landbouw plaatsvindt in onze provincie. Dat is dan eerder ondanks, dan dankzij het provinciebestuur. Het college van GS heeft expliciet aangegeven, en daar is in de Commissie voor het Fysieke Domein uitgebreid over gesproken, dat biologische landbouw geen speerpunt is voor dit bestuur, en dat het slechts in de periode 1999-2004 wel zo was.

De Partij voor de Dieren is bovendien van mening dat de provincie wel degelijk een rol kan en moet spelen in het stimuleren van de vraag naar biologische producten. Dat kan gebeuren door de biologische landbouw te stimuleren en daar opnieuw een speerpunt van te maken.
Wanneer de biologische landbouw ook maar een fractie krijgt van de al dan niet verkapte subsidiegelden, die nu jaar in jaar uit naar de bio-industrie gaan, is er al een wereld gewonnen.

Door nu primair in te zetten op de reconstructie en daar vele miljoenen in te pompen, maakt u duidelijk keuzes. U vergroot op deze wijze het prijsverschil tussen de producten van de diervriendelijke, biologische veeteelt en het bulkvlees. Daarmee stimuleert u impliciet de vraag naar dit dieronvriendelijke bulkvlees. Het is dan wel héél gemakkelijk om de biologische veeteelt in de kou te laten staan door te wijzen op de consument, die vanwege het grote en deels door de provincie in stand gehouden prijsverschil kiest voor het bulkvlees.

Over de opmerkingen die gedeputeerde Driessen maakte over werknemers van het Landbouweconomische Instituut (LEI) wil ik ook iets kwijt. Medewerkers van het LEI hebben verschillende malen aangegeven dat de voortdurende schaalvergrotingen in de bio-industriebedrijven en het produceren van steeds meer bulkvlees voor flinterdunne marges een doodlopende weg is.


Driessen spreekt met ingehouden walging over die kritiek op de bio-industrie en zegt met genoegen dat de directeur van het LEI inmiddels afstand neemt van de uitlatingen van zijn werknemers. Daar schijnt zelfs een persbericht over te verschijnen. Ik ben benieuwd naar zijn argumenten.
Dat persbericht wacht ik dan ook met spanning af.

Voorzitter, ik heb het college van GS inmiddels twee maal gevraagd naar een preciezering van de 961 miljoen euro, die in 12 jaar tijd in de Limburgse bio-industriebedrijven wordt gepompt.

Gedeputeerde Driessen vond het een interessante vraag, terwijl de ironie van zijn stem droop. Maar een antwoord, voorzitter, heb ik nog steeds niet gekregen.


Ik stel de vraag daarom voor de derde maal en hoop alle ironische boventonen zorgvuldig uit mijn stem te kunnen bannen.


Kunt u aangeven uit welke subsidies en gunstige fiscale regelingen het getal van 961 miljoen euro bestaat? Een getal dat afkomstig is uit uw eigen publicatie, met als titel "Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg, Nieuw elan voor Noord- en Midden-Limburg", pagina A16, onder het kopje "Wat kost de reconstructie".

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer