Bijdrage Partij voor de Dieren - Burger­ini­ti­atief Stop de Hobby­jacht


13 mei 2016

Voorzitter,

Ik wil mij in deze eerste termijn beperken tot het toelichten van de motie die wij hebben ingediend. Wat is het doel van de motie? En hoe verhoudt de motie zich tot het voorstel van het burgerinitiatief?

Het moge duidelijk zijn dat wij het voorstel van het burgerinitiatief van harte steunen. Wij hebben niets toe te voegen aan de inhoudelijke onderbouwing die het burgerinitiatief zelf geeft.

In de Commissie is echter discussie ontstaan over de juridische haalbaarheid van het voorstel. Binnen, voor alle duidelijkheid, het juridische kader van de nieuwe Wet natuurbescherming zoals die vanaf 1 januari 2017 gaat gelden.

Volgens de gedeputeerde zou het voorstel niet vallen binnen de bevoegdheden van de provincie. Dat is in zoverre juist, dat de wet de provincie niet de bevoegdheid geeft om de jacht geheel te verbieden: de wildlijst wordt inderdaad op landelijk niveau vastgesteld. Die kunnen we hier niet inkorten. Daarin heeft de gedeputeerde gelijk.

Maar het verbieden van de jacht is niet wat het burgerinitiatief vraagt. Dat is namelijk niets anders dan een gelijke behandeling van bejaagbare en niet-bejaagbare soorten. Zodat er alleen, als dat verantwoord is vanuit maatschappelijke doelen, op de soorten van de wildlijst mag worden gejaagd. Vanuit een oogpunt van schadebestrijding of populatiebeheer. Net zoals voor de andere in het wild levende dieren.

Hoe moet die verantwoording dan verlopen? Die verloopt via het wettelijke begrip “redelijke wildstand”. De wet verplicht de jachthouder in zijn jachtveld “een redelijke wildstand” te handhaven (art. 3.20 van de wet). Maar over de invulling van dat begrip “redelijke wildstand”, en de verantwoording daaromtrent, zegt de wet verder niets.

De motie vraagt nu – in de lijn van het burgerinitiatief – om dat begrip “redelijke wildstand” voor de wildsoorten net zo in te vullen als de schadebestrijding en het populatiebeheer voor de andere soorten. Dus eerst kijken of er belangrijke schade is, of een te grote populatie die het gebied niet kan dragen, dan kijken naar preventieve maatregelen - en pas in laatste instantie naar het middel van afschot grijpen. Dat is een verantwoording van het begrip “redelijke wildstand”. En dat is wat u terug ziet in het dictum van de motie.

Dit is overigens géén hobby van de Partij voor de Dieren. De staatssecretaris, Martijn van Dam, heeft tijdens de behandeling van de wet in de Eerste Kamer het volgende gezegd, refererend aan de tekst van de nieuwe wet, ik citeer (Verslag EK, 8 december 2015, pag. 11-8-37): “Er wordt nu gezegd: u moet vooraf een faunabeheerplan maken in de faunabeheereenheid, waarin de maatschappelijke organisaties ook vertegenwoordigd zijn. Dat is een voorwaarde, want in de wet staat dat de jacht plaats moet vinden op basis van het faunabeheerplan. Dat plan moet onderbouwen waarom de jacht, ook op de vijf soorten, verantwoord is in het kader van het populatiebeheer”.

Die verantwoording kan, en moet dus volgens de staatssecretaris, plaats vinden binnen de faunabeheereenheden nieuwe stijl, mét de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties erin. En in het bijzonder in het faunabeheerplan dat door de faunabeheereenheid wordt opgesteld.

Want de nieuwigheid van de wet is dat de jacht moet geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan (art. 3.12 lid 1 van de wet). En Provinciale Staten mogen – dat is ook nieuw - wel degelijk regels stellen over de inhoud van de faunabeheerplannen. Dat is vastgelegd in art. 3.12 lid 9 van de wet.

De Staten mogen dus van de nieuwe wet wel degelijk in een verordening Faunabeheer – of hoe de nieuwe verordening ook moge heten die vanwege de nieuwe wet moet worden opgesteld – regels stellen over de jacht zoals die in het Faunabeheerplan wordt opgenomen.

Al die wetsartikelen die ik heb aangehaald staan nu in de constateringen en de overwegingen van de motie. Dat is ook waar de motie voor is bedoeld: om het juridische “probleem” – wat eigenlijk geen probleem is – dat in de commissie is gerezen op te lossen. Of, zo uw wilt, aan de gerezen onduidelijkheid een einde te maken. U kunt het allemaal nalezen in de wetsartikelen. Ik heb de print-outs bij me.

Die verantwoording vraagt ook om een balans in het bestuur van de Faunabeheereenheid. Een balans waardoor beter verzekerd is dat de belangen van de dieren, die zichzelf niet kunnen beschermen, worden behartigd. Daarom wordt gevraagd om in het bestuur in ieder geval twee vertegenwoordigers op te nemen van maatschappelijke organisaties die dat belang behartigen. De wet geeft die mogelijkheid.

Omdat het opstellen van die regels voor het faunabeheerplan ook een technische aangelegenheid is, vraagt de motie GS om met een voorstel te komen. Dat voorstel kan worden verwerkt in de verordening op grond van de nieuwe wet zoals we die als Staten in het najaar behandelen.

Daarmee zou er dan een opdracht liggen aan de faunabeheereenheid om het faunabeheerplan aan te passen. Er zullen paragrafen in moeten komen over de wildsoorten, net zoals nu voor de vos, het wilde zwijn, het ree en de andere soorten. Zodat daarmee de gelijke behandeling van bejaagbare en niet bejaagbare soorten tot zijn recht komt.

Dàt is wat het burgerinitiatief vraagt. Als appèl van de burgers. En dat is, wat in de motie in een juridische vorm is gegoten.



Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer