Plusquin stelt vragen over Provin­ciale verant­woor­de­lijkheid voor scha­de­lijke effecten van bestrij­dings­mid­delen


College maakt onvol­doende gebruik van bevoegd­heden en treedt niet hand­havend op.

Indiendatum: 30 okt. 2023

Aan: Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg

Maastricht, 30 oktober 2023

Schriftelijke vragen over Verantwoordelijkheid nemen inzake schadelijke effecten van bestrijdingsmiddelen

Geacht College,

In de beantwoording van Schriftelijke vragen inzake de toename van het aantal Parkinson patiënten (dd. 27 oktober jl.) geeft het College een opsomming van de provinciale bevoegdheden voor het tegengaan van de schadelijke effecten van bestrijdingsmiddelen. Eerder al, in de beantwoording van vragen inzake Grootschalig gebruik van glyfosaat (dd. 15 juni jl.) is het College hierop ingegaan.

Uit de beantwoording blijkt dat het College maar beperkt gebruik maakt van de bestaande bevoegdheden, en niet handhavend optreedt waar dat aan de orde is. De Partij voor de Dieren is van mening dat dit voorbijgaat aan het voorzorgbeginsel, dat wettelijk geldt ter bescherming van de menselijke gezondheid en de natuur. In dat licht hebben wij de volgende vragen:

  • Sinds de rechterlijke uitspraak van juni 2021[1] staat vast dat er in de nabijheid van Natura 2000 gebieden een vergunningplicht geldt voor gebruik van bestrijdingsmiddelen[2]. Echter, er is in Limburg terzake nog geen vergunning hiervoor aangevraagd[3].
  • Heeft GS inmiddels een inventarisatie gemaakt van activiteiten/percelen met gebruik van deze middelen nabij Natura 2000 gebieden, zodat op zijn minst een voortoets m.b.t. de Wet natuurbescherming kan worden opgelegd? En daarbij, indien nuttig of nodig, gebruik gemaakt van de gegevens over bronnen die bekend ijn bij de NVWA? Zo nee, waarom niet (graag op beide deelvragen antwoorden)?
  • Is het College van plan een dergelijke inventarisatie te gaan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
  • Heeft het College niet een verplichting terzake actiever op te treden, nu door het College de spuitvrije zone rond Natura 2000 gebieden is afgeschaft[4]?
  • Maatschappelijk is er steeds meer bezorgdheid over de effecten van bestrijdingsmiddelen (o.a. glyfosaat) en de toetsing daarvan door het Ctgb: die is gebaseerd op onderzoek in opdracht van de producenten zelf, kijkt niet naar cumulatieve effecten, neemt niet de effecten op natuur en waterkwaliteit mee. Ook zijn er aanwijzingen dat het Ctgb gegevens achterhoudt die op schadelijke effecten duiden[5].
  • Vindt het College in dit licht dat het zich bij de uitoefening van haar bevoegdheden nog steeds kan beperken tot het volgen van de toetsingsuitkomsten van het Ctgb? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het terzake geldende voorzorgbeginsel?
  • Het College van GS citerend[6]: “In een bestemmingsplan[7] kan een zone worden bepaald tussen agrarische percelen waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies zoals woonbebouwing. In de provinciale omgevingsverordening kan op in de inhoud van bestemmingsplannen worden gestuurd. De omgevingsverordening Limburg bevat nu geen bepalingen die zien op bestrijdingsmiddelen.”
  • Gemeentes hebben niet altijd de benodigde kennis over schadelijkheid en effecten, en staan onder druk van lokale belangen. Gaat het College haar verantwoordelijkheid nemen en hiervoor kaderstellende regels in de omgevingsverordening opnemen? Zo nee, waarom niet?
  • Het College citerend[8]: “In de omgevingsverordening kan in grondwaterbeschermingsgebieden ter bescherming van de drinkwaterwinning het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden beperkt of verboden. Daarbij kan worden afgeweken van het oordeel van het Ctgb, dat bij toelating toetst welke bestrijdingsmiddelen onder welke voorwaarden gebruikt mogen worden in grondwaterbeschermingsgebieden.”
  • Gaat het College ter bescherming van de drinkwaterbescherming deze bevoegdheid, om eventueel ook af te wijken van het oordeel van het Ctgb, gebruiken en scherpere beschermende bepalingen opnemen? Zo nee, waarom niet?

In verwachtingsvolle afwachting van uw beantwoording,

Met vriendelijke groet,

Pascale Plusquin

Partij voor de Dieren


[1] Rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2021:2483, 18 juni 2021.

[2] Door sommigen ook als “gewasbeschermingsmiddelen” aangeduid.

[3] Zie Beantwoording Schriftelijke vragen inzake Grootschalig gebruik van glyfosaat (15 juni jl.), beantwoording vraag 7.

[4] Idem, beantwoording van vraag 4.

[5] "Ik denk dat de minister en het Ctgb wat uit te leggen hebben" - Zembla - BNNVARA

[6] Idem, beantwoording van vraag 2.

[7] C.q. vanaf 2024 een gemeentelijk Omgevingsplan.

[8] Idem, beantwoording van vraag 2.

Indiendatum: 30 okt. 2023
Antwoorddatum: 29 nov. 2023

Antwoord van Gedeputeerde Staten op schriftelijke vragen

Van het lid : mevrouw P. Plusquin

Inzake : Verantwoordelijkheid nemen inzake schadelijke effecten van bestrijdingsmiddelen

Vraag 1. Sinds de rechterlijke uitspraak van juni 20211 staat vast dat er in de nabijheid van Natura 2000 gebieden een vergunningplicht geldt voor gebruik van bestrijdingsmiddelen. Echter, er is in Limburg ter zake nog geen vergunning hiervoor aangevraagd. Heeft GS inmiddels een inventarisatie gemaakt van activiteiten/percelen met gebruik van deze middelen nabij Natura 2000 gebieden, zodat op zijn minst een voor toets m.b.t. de Wet natuurbescherming kan worden opgelegd? En daarbij, indien nuttig of nodig, gebruik gemaakt van de gegevens over bronnen die bekend zijn bij de NVWA? Zo nee, waarom niet (graag op beide deelvragen antwoorden)?

Antwoord. Vooropgesteld moet worden dat uit de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2021 (inzake de lelieteelt) niet volgt dat voor het gebruik van werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van Natura 2000-gebieden in algemene zin een (natuur)vergunning is vereist als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb). In de uitspraak is enkel bevestigd dat (ook) voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een natuurvergunning is vereist, indien het gebruik kan leiden tot een significant negatief effect op enig Natura 2000-gebied. Of dat zo is zal echter per afzonderlijk geval beoordeeld moeten worden. Daarbij geldt dat aan gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen op voorhand geen ‘toets’ in het kader van de Wnb kan worden opgelegd. Relevant in dat verband is dat de bewijslast, dat voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het concrete geval een natuurvergunning is vereist en zonder deze vergunning artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb wordt overtreden, uitsluitend op ons college rust. Meer in het bijzonder houdt deze bewijslast primair in dat het aan ons college is om aan te tonen dat het gebruik van het betreffende gewasbeschermingsmiddel - bij de gebruikte hoeveelheid en op de bewuste locatie - kan leiden tot een significant negatief effect op enig Natura 2000-gebied. Vooralsnog ontbreekt echter de wetenschappelijke kennis om dat aan te kunnen tonen. Mede tegen deze achtergrond is tot op heden geen inventarisatie gemaakt van de percelen nabij Natura 2000-gebieden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Vraag 2. Is het College van plan een dergelijke inventarisatie te gaan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord. Zie het antwoord op vraag 1. In aansluiting daarop zien wij in elk geval (vooralsnog) geen aanleiding om een dergelijke inventarisatie uit te voeren, totdat het verband tussen het concrete gebruik van (specifieke) werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen en het eventuele significant negatieve effect daarvan op enig Natura 2000-gebied, kan worden aangetoond.

Vraag 3. Heeft het College niet een verplichting ter zake actiever op te treden, nu door het College de spuitvrije zone rond Natura 2000 gebieden is afgeschaft?

Antwoord. Indien zou kunnen worden aangetoond dat het gebruik van en gewasbeschermingsmiddel in een concreet geval leidt tot een potentieel significant negatief effect op enig Natura 2000-gebied en de voor het gebruik vereiste natuurvergunning ontbreekt, dan bestaat voor ons college in beginsel de verplichting om tegen de desbetreffende overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb handhavend op te treden conform de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) en de daarin vervatte ‘beginselplicht tot handhaving’. Nu in elk geval vooralsnog in dit verband geen eenduidige overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb kan worden vastgesteld, is handhavend optreden voor ons college geen optie.

Vraag 4. Maatschappelijk is er steeds meer bezorgdheid over de effecten van bestrijdingsmiddelen (o.a. glyfosaat) en de toetsing daarvan door het Ctgb: die is gebaseerd op onderzoek in opdracht van de producenten zelf, kijkt niet naar cumulatieve effecten, neemt niet de effecten op natuur en waterkwaliteit mee. Ook zijn er aanwijzingen dat het Ctgb gegevens achterhoudt die op schadelijke effecten duiden.

Vindt het College in dit licht dat het zich bij de uitoefening van haar bevoegdheden nog steeds kan beperken tot het volgen van de toetsingsuitkomsten van het Ctgb? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het ter zake geldende voorzorgbeginsel?

Antwoord. Het Rijk heeft bepaald in de “Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden” dat het Ctgb gaat over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Daarmee heeft het Rijk ook een belangrijke taak in het controleren van het Ctbg. Het is niet aan ons om een oordeel te geven over de toetsing en daarmee het toestaan van de werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen. Hier hebben we ook niet de expertise voor in huis. Gelet op de wetenschappelíjke en maatschappelijke zorgen en het onmiskenbare (landelijke, politieke) signaal ten aanzien van (de toelating van) gewasbeschermingsmiddelen en specifiek glyfosaat blijven we dit dossier volgen en hebben we vertrouwen in de Ctbg. Het Ctgb heeft bij de Europese autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) zijn bezorgdheid geuit over een mogelijke relatie tussen het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson. Overigens merken wij in relatie tot de Wnb op dat het voorzorgbeginsel pas aan de orde komt indien kan worden vastgesteld dat een activiteit kan leiden tot een significant negatief effect op enig Natura 2000-gebied. Dit is op basis van de huidige kennis en inzichten omtrent de concrete effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de natuur echter niet aan de orde. Vanuit onze taken op het gebied van handhaving blijven wij de wetenschappelijke inzichten volgen.

Vraag 5. Het College van GS citerend:

“In een bestemmingsplan kan een zone worden bepaald tussen agrarische percelen waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies zoals woonbebouwing. In de provinciale omgevingsverordening kan op in de inhoud van bestemmingsplannen worden gestuurd. De omgevingsverordening Limburg bevat nu geen bepalingen die zien op bestrijdingsmiddelen.”

Gemeentes hebben niet altijd de benodigde kennis over schadelijkheid en effecten, en staan onder druk van lokale belangen. Gaat het College haar verantwoordelijkheid nemen en hiervoor kaderstellende regels in de omgevingsverordening opnemen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord. Wij zijn niet voornemens instructieregels op te nemen in de Omgevingsverordening Limburg gericht op aanwijzing van een zone tussen agrarische percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies zoals woonbebouwing aangezien het effect van deze aanduiding nader onderbouwd dient te zijn met wetenschappelijk onderzoek.
Onder de Omgevingswet is de ordening van de fysieke leefomgeving nog sterker een taak voor de gemeenten dan onder de huidige Wet ruimtelijke ordening en ligt het opnemen van gebruiksnormen in het gemeentelijke omgevingsplan veel meer in de rede dan het stellen van regels in de provinciale omgevingsverordening.

Vraag 6. Het College citerend:

“In de omgevingsverordening kan in grondwaterbeschermingsgebieden ter bescherming van de drinkwaterwinning het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden beperkt of verboden. Daarbij kan worden afgeweken van het oordeel van het Ctgb, dat bij toelating toetst welke bestrijdingsmiddelen onder welke voorwaarden gebruikt mogen worden in grondwaterbeschermingsgebieden.”

Gaat het College ter bescherming van de drinkwaterbescherming deze bevoegdheid, om eventueel ook af te wijken van het oordeel van het Ctgb, gebruiken en scherpere beschermende bepalingen opnemen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord. Zoals eerder in vraag 4 is aangegeven is het Rijk degene die beslist over toelating van gewasbeschermingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden. De Tweede Kamer heeft op 10 november 2022 een motie aangenomen waarin het Rijk wordt opgeroepen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden te verbieden. Het Rijk beraad zich momenteel nog op de invulling van deze motie. Op basis van de reactie van het Rijk op deze motie zullen we nagaan of eventueel aanvullende maatregelen van ons in grondwaterbeschermingsgebieden nodig zijn om de drinkwatervoorziening in Limburg te borgen.

Gedeputeerde staten van Limburg

voorzitter

secretaris



Interessant voor jou

Vragen Plusquin over doden van in het wild levende dieren naar aanleiding van jaarverslag Faunabeheereenheid

Lees verder

Plusquin vraagt op sinterklaas of het met die kerstbomen wat groener kan!

Lees verder

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer