Vraag

31 jul. 2025

Schriftelijke vragen over het structureel doden van spreeuwen bij de blauwe bessenteelt

Geacht College,

De Partij voor de Dieren maakt zich ernstige zorgen over het dierenwelzijn, de ecologische duurzaamheid en de bestuurlijke koers rond de blauwe bessenteelt in Limburg. Sinds 2021 worden jaarlijks spreeuwen gedood met provinciale toestemming, terwijl er alternatieven bestaan die minder ingrijpend zijn. Tegelijkertijd lieten inspectieresultaten zien dat 45% van de gecontroleerde telers de regels voor het gebruik  van gewasbeschermingsmiddelen overtraden, waaronder cyantraniliprole (Exirel). De spreeuw verkeert in een ongunstige staat van instandhouding en speelt een essentiële rol in het ecosysteem. 

Ondanks eerdere toezeggingen in 2021 om de ontheffingen in te trekken, blijft de provincie structureel toestaan dat spreeuwen worden afgeschoten of gevangen, terwijl preventieve maatregelen onvoldoende worden  gebruikt. Dit roept vragen op over de juridische houdbaarheid, beleidsmatige consistentie en ethische legitimiteit van het huidige beleid. 

Wij stellen daarom de volgende vragen: 

1.      Hoeveel spreeuwen zijn sinds 2021 daadwerkelijk gedood in Limburg op basis van verleende ontheffingen voor schadebestrijding bij blauwe bessenteelt? Graag uitgesplitst per jaar en per teler (anoniem). 

2.      In 2021 werden 386 spreeuwen gedood, met een afnemende trend. Heeft deze afnemende trend zich sindsdien doorgezet? 
2a. Zo ja, waarom is er in mei 2025 een ontheffing verleend voor maximaal 725 spreeuwen per jaar, bijna een verdubbeling t.o.v. het totaal gedode spreeuwen in 2021?  

3.      Wordt systematisch gemonitord hoeveel spreeuwen daadwerkelijk worden gedood onder ontheffing? Hoe wordt dit  gerapporteerd aan Provinciale Staten? 

4.      Zijn er bijvangsten van niet-doelsoorten geregistreerd bij het gebruik van vangkooien, zoals merels, mezen of roofvogels? Zo ja, worden deze gegevens openbaar gemaakt en betrokken bij evaluatie van beleid? 

5.      Wat is het sterftepercentage van spreeuwen in vangkooien door stress, hittestress of andere oorzaken? 
5a. Acht het college dit acceptabel binnen de Wet dieren? 

6.      Op welke wijze wordt gecontroleerd of vangkooien voldoen aan de eisen van voedsel, water, schaduw, bewegingsvrijheid en registratie van lokvogels? 

7.      Wordt het herhaaldelijk gebruik van vangkooien op locaties met bekende overtredingen heroverwogen of ingetrokken?  Zo nee, waarom niet? 

8.      Waarom is de toezegging uit 2021 om spreeuwenontheffingen in te trekken in latere jaren verlaten? 
8a. Wat is de bestuurlijke en juridische onderbouwing van deze koerswijziging? 

9.      Hoe weegt het college de geloofwaardigheid van haar toezeggingen, wanneer deze in latere jaren zonder evaluatie worden afgezwakt? 

10.  Hoe wordt geborgd dat lokvogels die worden ingezet voor vangkooien aantoonbaar gefokt zijn, conform het Besluit natuurbescherming? 
10a. Worden lokvogels systematisch gecontroleerd op herkomst? 

11.  Op welke formele gronden achten gemeenten het overnetten van teelten planologisch onmogelijk, en waarom wordt dat zonder onderliggende besluiten geaccepteerd als basis voor afschot? 

12.  Wordt met het accepteren van genoemde planologische bezwaren niet afgedaan aan het nuttig effect van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn, wat juridisch niet is toegestaan? 

13.  Is het college bereid om telers verplicht te laten motiveren waarom niet-dodelijke maatregelen per perceel niet toepasbaar zouden zijn, alvorens ontheffing te verlenen voor vangen of afschot? 

14.  Bestaan er op dit moment subsidiemogelijkheden voor het overnetten van blauwe bessen of inzet van alternatieven zoals vogelverjagers? Zo ja, hoeveel telers hebben hiervan gebruikgemaakt sinds 2019? 

15.  In hoeverre heeft het college geëvalueerd waarom blauwe bessentelers tussen 2019 en 2020 géén gebruik hebben gemaakt van de toen beschikbare subsidieregeling voor preventieve faunaschade-maatregelen (Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied, paragraaf 2.5)? 

16.  Is het college bereid om een nieuwe subsidieregeling open te stellen specifiek gericht op niet-dodelijke spreeuwenwering in de fruitteelt?  Zo ja, hoe worden deze middelen toegankelijk en effectief gepromoot onder telers? 

17.  Hoeveel Limburgse telers hebben in 2024 gebruik gemaakt van de vrijstelling voor het middel Exirel (cyantraniliprole)? 
17a. Heeft de provincie hier zicht op of vraagt zij deze gegevens op bij NVWA/LVVN? 

18.  Welke maatregelen neemt het college om de naleving van voorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren, in het bijzonder bij teelten nabij kwetsbare natuurgebieden? 

19.  Worden afwijkingen of overtredingen met betrekking tot spreeuwenontheffingen en gewasbescherming systematisch gedeeld met Provinciale Staten? Zo ja, kan het college een actueel overzicht verstrekken? 

20.  Is het college bereid om een jaarlijkse rapportageplicht op te nemen voor telers over de inzet en effectiviteit van niet-dodelijke spreeuwenbestrijding? 

21.  In 2021 gaf het college aan dat een transitie naar kringlooplandbouw de spreeuw zou kunnen helpen, en dat via het GLB/NSP en provinciale natuurontwikkeling gewerkt zou worden aan verbetering van foerageergebieden voor boerenlandvogels. Kan het college aangeven welke concrete maatregelen sinds 2021 zijn genomen om deze doelen te realiseren, en welke daarvan specifiek ten goede zijn gekomen aan de spreeuw? 

22.  Is er sinds 2021 natuur ingericht, beheerd of aangekocht met het oog op verbetering van foerageergebieden voor spreeuwen en andere zangvogels? 

23.  Worden programma’s als de Agrarische Blijversaanpak of BoerenPerspectief Limburg ingezet om herstel van boerenlandvogelpopulaties te bevorderen? Zo ja, hoe wordt dit gemonitord? 

24.  Acht het college het wenselijk en uitvoerbaar om de Faunaschade PreventieKit (module kleine zangvogels) uit te breiden met praktijkvoorbeelden, demonstratieprojecten en richtlijnen die telers ondersteunen bij diervriendelijke spreeuwenbestrijding? 

 

Graag beantwoording van deze vragen binnen de daarvoor geldende termijn.

Met vriendelijke groet,

 

Ina Boven

Partij voor de Dieren

 


 

Onderwerp: Antwoord van Gedeputeerde Staten op schriftelijke vragen 
 

Van het lid : I. Boven 
Fractie : Partij voor de Dieren
Inzake : het structureel doden van spreeuwen bij blauwe bessenteelt 

Vraag 1. Hoeveel spreeuwen zijn sinds 2021 daadwerkelijk gedood in Limburg op basis van verleende ontheffingen voor schadebestrijding bij blauwe bessenteelt? Graag uitgesplitst per jaar en per teler (anoniem).

Vraag 2. 

In 2021 werden 386 spreeuwen gedood, met een afnemende trend1. Heeft deze afnemende trend zich sindsdien doorgezet? 

Antwoord:

Het aantal gedode spreeuwen genoemd in deze vraag is onjuist. In 2021 is in de beantwoording van vragen van PvdD het volgende aangegeven: Gemiddeld zijn er sinds 2015 door de inzet van het geweer of jachtvogel op basis van ontheffing 386 spreeuwen per jaar gedood, met een afnemende trend. Inclusief de spreeuwen welke dood zijn gegaan na vangen is dit een gemiddelde van 488 spreeuwen per jaar. Kijkende naar de bovenstaande cijfers heeft deze trend heeft zich sindsdien voortgezet. De afgelopen 5 jaar zijn er gemiddeld 47 spreeuwen gedood echter in de jaren 2021 en 2022 zijn verscheidene vergunningen echter niet beschikbaar geweest door o.a. bezwaar- en beroepsprocedures. 

Vraag 2a. 

Zo ja, waarom is er in mei 2025 een ontheffing verleend voor maximaal 725 spreeuwen per jaar, bijna een verdubbeling t.o.v. het totaal gedode spreeuwen in 2021? 

Antwoord: 

In de verleende vergunningen is aangesloten bij het 1%-criterium, ook wel het ORNIS-criterium of de 1% mortaliteitsnorm genoemd. Een juiste toepassing van het ORNIS criterium zoals aan de orde zorgt dat de staat van instandhouding van de spreeuw niet verslechtert. Voor spreeuwen geldt dat elk broedpaar (14.500 in Limburg) gemiddeld vijf jongen produceert, verdeeld over twee broedsels. Het aantal broedparen in Limburg is daarbij stabiel. De aanwas van spreeuwen in Limburg bestaat daarom al jaren uit ongeveer 72.500 spreeuwen per jaar. Dat betekent ook dat 72.500 spreeuwen sterven (de natuurlijke mortaliteit), anders zou de populatie groeien. Conform het ORNIS-criterium zou 1% sterfte (zijnde 725 spreeuwen) op basis van de verleende vergunningen op deze populatie niet van invloed zijn op de staat van instandhouding. Het genoemde aantal van 725 spreeuwen is daarbij een maximaal aantal spreeuwen dat onder alle door ons verleende vergunningen/ontheffingen op jaarbasis (ge)dood mag worden zonder dat dit effect heeft op de staat van instandhouding. Dit betekent dus niet dat er jaarlijks 725 spreeuwen worden gedood, zoals blijkt uit beantwoording van vraag 1.

Vraag 3. 

Wordt systematisch gemonitord hoeveel spreeuwen daadwerkelijk worden gedood onder ontheffing? Hoe wordt dit gerapporteerd aan Provinciale Staten? 

Antwoord: 

Provinciale Staten worden jaarlijks op de hoogte gehouden van de inzet van de faunabeheervergunningen middels de Jaarrapportage van de Faunabeheereenheid Limburg (FBE). Deze rapportageplicht is vastgelegd in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit. 

Vraag 4. 

Zijn er bijvangsten van niet-doelsoorten geregistreerd bij het gebruik van vangkooien, zoals merels, mezen of roofvogels? Zo ja, worden deze gegevens openbaar gemaakt en betrokken bij evaluatie van beleid? 

Antwoord: 

Wij hebben kennis van een beperkt aantal gevallen waarbij een huismus is gevangen, verder is er geen sprake geweest van bijvangst. De gevangen huismus is steeds per direct vrijgelaten en niet apart geregistreerd. 

Vraag 5.

Wat is het sterftepercentage van spreeuwen in vangkooien door stress, hittestress of andere oorzaken?

Vraag 5a. 

Acht het college dit acceptabel binnen de Wet dieren? 

Antwoord: 

Het doel van de vangstacties is om de spreeuwen levend te verplaatsen, uiteraard is het de wens om zo min mogelijk dode spreeuwen aan te treffen na vangst. Echter, weersinvloeden of fysieke gesteldheid van de gevangen spreeuwen zijn moeilijk te beheersen. Het aantal spreeuwen dat na vangst door omstandigheden is gestorven maakt onderdeel uit van de maximaal aantal dode spreeuwen van 725 per jaar. Wij hebben geen bevoegdheden binnen de Wet dieren. De Wet dieren ziet primair op gehouden dieren waarbij enkele bepalingen zoals het verbod op dierenmishandeling ook van toepassing zijn op in het wild levende dieren. Maar deze bepalingen worden ons inziens niet geraakt. 

Vraag 6. 

Op welke wijze wordt gecontroleerd of vangkooien voldoen aan de eisen van voedsel, water, schaduw, bewegingsvrijheid en registratie van lokvogels? 

Antwoord: 

Spreeuwenvangkooien dienen te voldoen aan de eisen zoals opgenomen in de vergunningen waarbij er een verantwoordelijkheid ligt bij de gebruiker van de vangkooi om het welzijn van de dieren te garanderen. Door onze toezichthouders worden controles uitgevoerd op het gebruik van de spreeuwenvangkooien daarbij worden de dierenwelzijn aspecten die zijn benoemd in de vergunningsvoorwaarden meegenomen. De registratie van lokvogels verloopt via Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Indien vangkooien niet voldoen aan de door ons opgenomen eisen in de vergunning kan hier handhavend worden opgetreden.

Vraag 7. 

Wordt het herhaaldelijk gebruik van vangkooien op locaties met bekende overtredingen heroverwogen of ingetrokken? Zo nee, waarom niet? 

Antwoord: 

Bij vaststelling van herhaalde overtredingen wordt daartegen handhavend opgetreden volgens de Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht. 

Vraag 8 en 8a. 

Waarom is de toezegging uit 2021 om spreeuwenontheffingen in te trekken in latere jaren verlaten? Wat is de bestuurlijke en juridische onderbouwing van deze koerswijziging? 

Antwoord:

Er is geen toezegging gedaan maar er was sprake van het intrekken van een tweetal verleende ontheffingen. Dit intrekkingsbesluit is in 14 mei 2025 naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank d.d. 28 januari 20252 aangepast naar een wijziging die alleen voor het seizoen 2021 is komen te gelden. De reden hiervoor is als volgt. De rechtbank Limburg heeft op 28 januari 2025 uitspraak gedaan in o.a. de beroepsprocedure naar aanleiding van het intrekkingsbesluit uit 2021. De rechtbank komt tot de conclusie dat ons college een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften van een tweetal blauwe bessentelers dient te nemen. Ons college heeft besloten om uitvoering te geven aan deze uitspraak van de rechtbank Limburg. Dit betekent dat wij in het kader van een volledige heroverweging de ontheffingen niet intrekken maar wijzigen. Deze wijziging brengt met zich mee dat er enkele voorschriften aan de besluiten zijn toegevoegd, aangepast dan wel verwijderd. Dit betekent ook dat die wijziging alleen voor het oogstseizoen 2021 en niet voor de opvolgende seizoenen omdat de provincie door de rechtbank in gelijk gesteld werd om de aanvraag om ontheffingen uit 2022 te weigeren.

Vraag 9. 

Hoe weegt het college de geloofwaardigheid van haar toezeggingen, wanneer deze in latere jaren zonder evaluatie worden afgezwakt? 

Antwoord:

Zie beantwoording van vraag 8. 

Vraag 10 en 10a. 

Hoe wordt geborgd dat lokvogels die worden ingezet voor vangkooien aantoonbaar gefokt zijn, conform het Besluit natuurbescherming? Worden lokvogels systematisch gecontroleerd op herkomst? 

Antwoord:

Er mogen enkel gefokte spreeuwen, voorzien van een vaste pootring, als lokker worden ingezet in de vangkooien. Dit is ook als voorwaarde opgenomen in alle verleende vergunningen. Pootringen worden door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) aan erkende vogelbonden verstrekt en administratief verwerkt zie : Moeten mijn vogels een pootring hebben? | Rijksoverheid.nl e.e.a. wordt door Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en/of RVO gecontroleerd. Tijdens controles worden de pootringen van de lokvogels door VTH van de provincie Limburg gecontroleerd. 

Vraag 11. 

Op welke formele gronden achten gemeenten het overnetten van teelten planologisch onmogelijk, en waarom wordt dat zonder onderliggende besluiten geaccepteerd als basis voor afschot? 

Antwoord:

Er zijn vergunningen door de provincie verleend aan bessentelers in de gemeenten Leudal, Peel en Maas, Roermond en Horst aan de Maas. Redenen voor het niet toestaan van overnetting van blauwe bessenteelt variëren per gemeente. Zo is er aangegeven door iedere gemeente dat het overnetten een onwenselijk beeld geeft in het landschap. Vogelnetten moeten, anders dan hagelnetten of regenkappen, ook aan de zijkant doorlopen, tot aan het maaiveld, zodat vogels geen enkele opening hebben om binnen te komen. Hierdoor ontstaat er een groot, geheel dicht, ondoorzichtig vlak met een hoogte van 5,5 tot 6 meter, wat niet passend is binnen het Omgevingsplan. Gemeenten geven aan dat een dergelijke maatregel planologisch niet gewenst is; dit heeft te maken met bij de gemeenten vastgestelde beleidskaders met betrekking tot natuur, waterhuishouding, waterkwaliteit en zichtbaarheid van cultuurhistorische en landschappelijke waarden en beleefbaarheid.
De preventieve maatregel afscherming c.q. overnetten is een effectieve maatregel om vogels te weren en daarmee schade aan gewassen te voorkomen. Om te kunnen overnetten is het wel noodzakelijk dat de gemeente waar de bessenteler zijn percelen heeft liggen, het overnetten hiervan toestaat. De berichtgeving van de gemeenten is duidelijk, medewerking zal niet verleend worden. Het heeft dan ook geen nut om een lange juridische procedure te doorlopen als de uitkomst van de planologische overweging van de gemeenten vooraf goed onderbouwd, duidelijk en zeker is. Naar het oordeel van ons college is deze zekerheid niet pas voldoende aanwezig als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend en geweigerd, laat staan dat daarover nog procedures gevoerd zouden moeten worden tot in hoogste instantie. Dat een daadwerkelijke aanvraag om omgevingsvergunning niet nodig is, is mede ingegeven door het advies van de bezwaarschriftencommissie in vergelijkbare zaken voor ontheffingen voor bessentelers. De bezwaarschriftencommissie van Provincie Limburg heeft in 2022 een formele aanvraag een te zware eis gevonden en ook de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg lijkt dat niet noodzakelijk te achten. 
Daarbij heeft de Rechtbank Limburg in haar uitspraak ROE 24/2071 en 24/2892 geoordeeld dat de provincie Limburg “ ten aanzien van de betrokken telers nauwkeurig en toereikend, en per teler/per perceel, heeft gemotiveerd dat overnetten niet als andere bevredigende oplossing in aanmerking komt om de schade aan de blauwe bessenteelt te voorkomen. Die motivering houdt met name een verwijzing in naar schriftelijke ingenomen standpunten van het betreffende bevoegde gezag die inhouden dat het verlenen van planologische medewerking aan overnetten onwenselijk is.” En verder oordeelde de rechtbank: “Van de zijde van de betrokken gemeenten is voldoende overtuigend verklaard dat planologische belemmeringen in de weg staan aan overnetten” . 
Het gebrek aan mogelijkheid tot overnetten ontslaat de telers niet van de verplichting tot het nemen van preventieve maatregelen of het nemen van minder ingrijpende maatregelen om spreeuwenschade te voorkomen (zoals vangen en verplaatsen). Het oordeel van de gemeenten dat overnetten niet mogelijk is voor de betreffende telers levert een onderbouwing dat dit middel niet langer verlangd kan worden van betreffende telers, en daarmee geen geschikt alternatief is om schade te voorkomen. Naast overnetten zijn er echter nog andere preventieve maatregelen die conform vergunning ingezet moeten zijn voordat tot vangen en verplaatsen of ondersteunend afschot kan worden overgegaan.

Vraag 12. 

Wordt met het accepteren van genoemde planologische bezwaren niet afgedaan aan het nuttig effect van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn, wat juridisch niet is toegestaan? 

Antwoord: 

Er is in dit geval aangaande de planologische bezwaren getoetst aan de wettelijke eis dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat waarmee kan worden bereikt dat zich geen aantasting van de blauwebessenoogst door spreeuwen voordoet of een geringere aantasting bereikt kan worden dan met de aangevraagde ontheffingen. Deze eis komt uit de Vogelrichtlijn en is in Nederlandse wetgeving opgenomen. De rechtbank was in de uitspraak ROE 24/2071 en 24/2892 aangaande de aanvraag om ontheffingen inzake de spreeuw van 2023, waarbij uiteindelijk ontheffingen verleend zijn, met de Provincie Limburg van oordeel dat nauwkeurig en toereikend gemotiveerd was dat overnetten in die gevallen geen andere bevredigende oplossing is aangezien de betreffende gemeenten, gelet op hun planologisch onderzoek hieraan niet wilden meewerken. De toets aan de andere bevredigende oplossing is aldus conform de Vogelrichtlijn/Nederlandse wetgeving uitgevoerd, zoals ook is bevestigd door de rechtbank Limburg.

Vraag 13. 

Is het college bereid om telers verplicht te laten motiveren waarom niet-dodelijke maatregelen per perceel niet toepasbaar zouden zijn, alvorens ontheffing te verlenen voor vangen of afschot? 

Antwoord:

Vergunningen worden verleend op perceel niveau waarbij er al een onderbouwing wordt geleverd dat preventieve maatregelen niet toepasbaar zijn. Zonder deze onderbouwing is vergunningverlening ook niet mogelijk. 

Vraag 14. 

Bestaan er op dit moment subsidiemogelijkheden voor het overnetten van blauwe bessen of inzet van alternatieven zoals vogelverjagers? Zo ja, hoeveel telers hebben hiervan gebruikgemaakt sinds 2019? 

Antwoord:

Nee, er zijn geen subsidiemogelijkheden voor het overnetten van blauwe bessen. Momenteel zijn de Nadere subsidieregels preventie faunaschade 2025 opengesteld. Op grond van deze subsidieregeling kan bij aantoonbare schade dan wel schadedreiging door in het wild levende beschermde diersoorten, subsidie worden aangevraagd voor preventieve maatregelen om schade te voorkomen. Om voor deze subsidie in aanmerking te kunnen komen, dient de aanvrager dan tevens in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming voor de schade op basis van de Beleidsregels Tegemoetkoming Faunaschade 2024 (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR711821/) . Blauwe bessenteelt is uitdrukkelijk uitgezonderd voor een tegemoetkoming in de schade en daarmee komen blauwe bessentelers niet in aanmerking voor deze subsidie. 

Vraag 15.

In hoeverre heeft het college geëvalueerd waarom blauwe bessentelers tussen 2019 en 2020 géén gebruik hebben gemaakt van de toen beschikbare subsidieregeling voor preventieve faunaschade-maatregelen (Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied, paragraaf 2.5)? 

Antwoord:

Blauwe bessentelers hebben niet de mogelijkheid gebruik te maken van deze subsidieregeling, omdat zij ook geen recht hebben op tegemoetkoming bij geleden faunaschade. 

Vraag 16. 

Is het college bereid om een nieuwe subsidieregeling open te stellen specifiek gericht op niet-dodelijke spreeuwenwering in de fruitteelt? Zo ja, hoe worden deze middelen toegankelijk en effectief gepromoot onder telers? 

Antwoord:

Het college is hiertoe niet bereid. Het college zet in op het verminderen of voorkomen van schade door middel van het stimuleren van het gebruik van preventiemaatregelen (bijvoorbeeld middels een subsidieregeling), echter enkel bij schades waarvoor tegemoetkoming wordt uitgekeerd. Voor blauwe bessen schade wordt geen tegemoetkoming uitgekeerd.

Vraag 17. 

Hoeveel Limburgse telers hebben in 2024 gebruik gemaakt van de vrijstelling voor het middel Exirel (cyantraniliprole)? Heeft de provincie hier zicht op of vraagt zij deze gegevens op bij NVWA/LVVN? 

Antwoord:

Op 1 juli 2024 is een tijdelijke vrijstelling als bedoeld in artikel 38 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verleend voor het gebruik van Exirel ter bescherming van de onbedekte teelt van blauwe bes tegen suzuki fruitvlieg (Drosophila suzukii)3. Dit betreft een Rijksaangelegenheid. Provincie Limburg heeft geen zicht op het aantal verleende vrijstellingen voor het gebruik van Exirel in de blauwe bessenteelt. 

Vraag 18. 

Welke maatregelen neemt het college om de naleving van voorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren, in het bijzonder bij teelten nabij kwetsbare natuurgebieden? 

Antwoord:

De naleving van voorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen wordt in beginsel uitgevoerd door het NVWA en niet door GS van Limburg. Echter, in algemene zin wordt in dit verband volledigheidshalve opgemerkt dat GS van Limburg recent heeft besloten tot het vastleggen van een algemene aanpak rondom het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot natuurwetgeving (DOC-00820523). 

Vraag 19. 

Worden afwijkingen of overtredingen met betrekking tot spreeuwenontheffingen en gewasbescherming systematisch gedeeld met Provinciale Staten? Zo ja, kan het college een actueel overzicht verstrekken? 

Antwoord: 

Nee, afwijkingen of overtredingen met betrekking tot spreeuwenontheffingen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden niet systematisch gedeeld met Provinciale Staten. De naleving van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ligt bij de NVWA en valt daarmee buiten de verantwoordelijkheid van het college. Voor afwijkingen of overtredingen die verband houden met ontheffingen geldt dat deze niet structureel aan Provinciale Staten worden gerapporteerd. Wel wordt jaarlijks in het VTH jaarverslag informatie over het aantal overtredingen opgenomen en met Provinciale Staten gedeeld. 

Vraag 20. 

Is het college bereid om een jaarlijkse rapportageplicht op te nemen voor telers over de inzet en effectiviteit van niet-dodelijke spreeuwenbestrijding?

Antwoord:

Het college acht het niet nodig om een jaarlijkse rapportageplicht op te nemen voor de telers omdat er jaarlijks in het najaar onder leiding van de FBE geëvalueerd wordt met alle partijen (provincie, bessentelers en de uitvoerder) over onder andere de ervaringen over de inzet van de verleende ontheffingen spreeuw ondersteunend afschot en vangen/verplaatsen. 

Vraag 21. 

In 2021 gaf het college aan dat een transitie naar kringlooplandbouw de spreeuw zou kunnen helpen, en dat via het GLB/NSP en provinciale natuurontwikkeling gewerkt zou worden aan verbetering van foerageergebieden voor boerenlandvogels. Kan het college aangeven welke concrete maatregelen sinds 2021 zijn genomen om deze doelen te realiseren, en welke daarvan specifiek ten goede zijn gekomen aan de spreeuw? 

Antwoord:

Binnen het Agrarische Natuur en Landschapsbeheer (ANLb) is de spreeuw als doelsoort opgenomen. Het ANLb richt zich onder andere op het verbeteren van leefomstandigheden van weidevogels, struweelvogels en akkervogels, waarvan ook de spreeuw profiteert. Met name de beheerpakketten Kruidenrijke- en Botanische graslanden hebben een positief effect als foerageergebied voor diverse vogelsoorten. De bloeiende kruiden trekken insecten aan, waardoor de voedselbeschikbaarheid voor vogels toeneemt. In gebieden waar een groot deel van het landbouwareaal volgens ANLb-richtlijnen beheerd wordt, is tevens een positieve trend zichtbaar in het aantal spreeuwen. Een groter aandeel ANLb-beheer hangt samen met een stabielere tot groeiende spreeuwenpopulatie. Verder geeft de provincie aan de Stichting Servicebureau Wildbeheereenheden (SSWL) sinds 2020 subsidie voor hun project ‘Jagers in het groen in Limburg”. Jaarlijks worden akkerranden en wildakkers ingezaaid met als doel het leefklimaat van insecten en akkervogels te bevorderen. In 2020 is er 51 ha aan akkerranden en wildakkers ingezaaid, in 2021 116 ha, in 2022 170 ha, in 2023 en 2024 115 ha. Voor 2025 heeft de SSWL voor 130 ha subsidie ontvangen voor de inzaai van akkerranden en wildakkers. 

Vraag 22. 

Is er sinds 2021 natuur ingericht, beheerd of aangekocht met het oog op verbetering van foerageergebieden voor spreeuwen en andere zangvogels? 

Antwoord:

De provincie heeft nieuwe natuur ingericht vanaf 2021 voor de doelsoorten zoals deze o.a. zijn opgenomen in het Natura2000-beheerplan. Specifiek voor spreeuwen hebben wij geen inrichting gedaan, uiteraard profiteren deze wel van onze inrichtingen voor andere soorten. Voor beheer kan men denken aan het ANLb. Het is een subsidiestelsel dat sinds 2016 bestaat, om via agrarische collectieven en subsidies de biodiversiteit, de kwaliteit en kwantiteit in het landelijk gebied te verbeteren. 

Vraag 23. 

Worden programma’s als de Agrarische Blijversaanpak of BoerenPerspectief Limburg ingezet om herstel van boerenlandvogelpopulaties te bevorderen? Zo ja, hoe wordt dit gemonitord? 

Antwoord:

De Agrarische Blijversaanpak Limburg (ABL) is erop gericht om te zorgen voor een solide toekomstperspectief voor boer en natuur. Eén van de uitgangspunten hierbij is ‘de boer als beste buur van de natuur’. Weidevogelbeheer kan dan een mogelijk onderdeel zijn van het zogenaamde ‘Plan A+’ zoals beschreven in de handreiking die eerder met uw Staten is gedeeld en besproken. BoerenPerspectief is geen programma van de provincie Limburg, maar van Limburgse Land- en Tuinbouwbond, Limburgs Agrarisch Jongeren Kontakt en Natuurrijk Limburg. 

Vraag 24. 

Acht het college het wenselijk en uitvoerbaar om de Faunaschade PreventieKit (module kleine zangvogels) uit te breiden met praktijkvoorbeelden, demonstratieprojecten en richtlijnen die telers ondersteunen bij diervriendelijke spreeuwenbestrijding? 

Antwoord: 

Het college neemt dit mee in de gesprekken met BIJ12 in het kader van hun onderzoeksagenda voor de komende jaren. 

Gedeputeerde Staten van Limburg 

voorzitter 

secretaris